Ethiek

Synodeverslagen

Nieuwe artikelen
Signalen



Aanmelden GRATIS nieuwsbrief

Naam:
E-mail:



printen

mailen

Generale Synode Zwolle 2026 - Impressie 4.2

Relaties kerken buitenland

 

Algemene inleiding

 

De synodevergadering van 5 juni jl. stond geheel in teken van relaties met buitenlandse kerken. We hebben de zeer uitgebreide en complexe informatie weergeven in drie afzonderlijke impressies 4:

 

Impressie 4.1

We hoorden vijf toespraken van de buitenlandse afgevaardigden, ze werden al eerder op EIW gepubliceerd. De synode nam de gelegenheid te baat om in gesprek te gaan met de sprekers. We willen daar in deze impressie iets van weergeven.

 

Impressie 4.2

Op dezelfde dag werden in aanwezigheid van de buitenlandse gasten bezwaren en revisieverzoeken m.b.t. relaties met (hun) kerken uitgebreid besproken en daarover besluiten genomen. 

 

Impressie 4.3

Tot slot kwamen ook nog de verdere voorstellen van de BBK aan de orde, werd een nieuwe instructie en de hoogte van het budget voor het deputaatschap voor de komende jaren vastgesteld.

 


 

Impressie 4.2

 

Bezwaarschriften en revisieverzoeken

 

Vanuit de kerken zijn bezwaarschriften en revisieverzoeken ingediend bij de synode. Daarin gaat het m.n. over kerkelijke relaties met en van buitenlandse kerken. Ook over 'differentiatie', dus verschillende niveaus, daarvan en hun eigenschappen.

Maar vooral betreffen de bezwaren de beëindiging van de zusterkerkrelatie met de LRCA, de Liberated Reformed Church in het Canadese Abbotsford, en het aangaan van een zusterkerkrelatie met de Canadian Reformed Churches (CanRC). Ook krijgt de relatie met de Orthodox Presbyterian Church (OPC) de nodige aandacht alsmede het lidmaatschap van de Internal Conference of Reformed Churches (ICRC).
Een van de revisieverzoeken komt van LRCA zelf. Ondanks dat dit verzoek komt van een kerk waar geen zusterkerkrelatie (meer) mee is heeft de synode heeft dit ontvankelijk verklaard gezien de bijzondere gang van zaken tussen de GK en de LRCA en de 'broederlijke betrokkenheid' op elkaar (Aanvullend rapport commissie 3). Maar daarbij is wel nadrukkelijk opgemerkt dat dit niet als een precedent mag worden gezien.

 

De bezwaarschriften tellen samen bijna 70 pagina's. De meeste zijn gestructureerd in drie delen: een aantal inleidende overwegingen, een of meerdere besluitvoorstellen en 'gronden' waarop ze zijn gebaseerd.

Voor deze impressie volstaan we met steeds het overnemen van die laatste twee delen want daar gaat het uiteindelijk om, daar wordt instemming van de synode voor gevraagd.

Zoals aangegeven gaat het dus om drie hoofdzaken.

 

- Differentiatie in kerkelijke relaties

- Kerkelijke relaties met de CanRC en OPC

- Beëindiging zusterkerkrelatie met de LRCA

 

Differentiatie in kerkelijke relaties

 

We geven eerst aan wat er verstaan wordt onder deze 'differentiatie'. De Gereformeerde Kerken kennen op dit moment drie typen relaties met buitenlandse kerken:

  1. Zusterkerkrelatie

De kerken erkennen elkaar naar gereformeerd belijden als ware kerken van Christus. Zij willen wederzijds op elkaars leer en leven toezien en kerkelijke gemeenschap oefenen.

  1. Correspondentierelatie

De betreffende kerken zijn te kennen als trouwe kerken van Christus, maar het wederzijdse toezicht is veel minder intens door bijvoorbeeld taalverschillen die nog een volledige zusterkerkrelatie belemmeren.

  1. Vriendschapsrelatie

Er zijn indirecte contacten of persoonlijke contacten maar weinig of geen directe officiële contacten.

 

Zie Bijlage A voor details.

 

Bezwaren en besluiten m.b.t. differentiatie

De volgende bezwaren werden ingediend.

 

1 - Bezwaarschrift van br. P. Bos

 

Br. Bos stelt de synode voor te besluiten:

  1. Uit te spreken dat de differentiatie van kerkelijke relaties zoals opgenomen in bijlage B (correspondentierelatie) en bijlage C (vriendschapsrelatie) van de instructie behorend bij het in artikel 24 van de acta vastgestelde besluit, niet in overeenstemming is met de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Kerkorde;
  2. Te bepalen dat deze differentiatie vervalt en geen rechtskracht heeft binnen het kerkverband;
  3. Vast te stellen dat kerkelijke gemeenschap, waaronder avondmaalsgemeenschap en kanselruil, uitsluitend kan plaatsvinden op grond van een synodaal vastgesteld oordeel overeenkomstig artikel 29 NGB;
  4. Te bevestigen dat de generale synode, overeenkomstig artikel 47 Kerkorde, exclusief bevoegd is tot het aangaan en beoordelen van kerkelijke relaties;
  5. Dit besluit ter kennis te brengen van de kerk(verband)en die onder de bepalingen van bijlage B en C zijn gebracht, en ook van de kerken binnen het kerkverband.

Gronden

  1. Omdat de invoering van een niet-beleden categorie van kerk-zijn in strijd is met de normatieve en bindende betekenis van artikel 29 NGB;
  2. Omdat kerkelijke gemeenschap zonder voorafgaand belijdenis-conform oordeel de aard en grenzen van de kerk miskent;
  3. Omdat artikel 60 KO geen ruimte laat voor avondmaalsgemeenschap met kerken waarmee geen zusterkerkrelatie bestaat;
  4. Omdat artikel 47 KO niet toestaat dat de synode haar verantwoordelijkheid over kerkelijke relaties delegeert aan plaatselijke kerken;
  5. Omdat het bestreden besluit leidt tot ondermijning van de gezamenlijke verantwoordelijkheid en eenheid van het kerkverband;
  6. Omdat de gekozen differentiatie niet berust op de belijdenis, maar op pragmatische en beleidsmatige overwegingen;
  7. Omdat handhaving van dit besluit de rechtsorde van het kerkverband en de binding aan Schrift, belijdenis en Kerkorde schaadt;
  8. Omdat het besluit ingaat tegen de regel die door de synode van Groningen 1978 is aangenomen.

 

2 - Bezwaarschrift van ds. S. de Marie, brs. T.L. Bruinius en J. Horst


De broeders stellen de synode voor te besluiten:

 

De Instructie Deputaatschap Buitenlandse Kerken met Bijlage, Regeling Differentiatie Buitenlandse Contacten van GS Groningen/Kornhorn 2024, wordt aangepast door uitvoering van de volgende richtlijnen:

  1. T.a.v. zusterkerkrelaties worden de criteria conform de regels van GS Leeuwarden 1990 voor het aangaan en onderhouden van deze relaties aangegeven in deze Instructie.
  2. T.a.v. correspondentierelaties wordt in de Instructie vermeld dat door deputaten wordt nagegaan of de betrokken kerken kunnen voldoen aan een zusterkerkrelatie. 
  3. Bij een correspondentierelatie is er geen confessionele grond om plaatselijk de kansel en/of het avondmaal open te stellen voor respectievelijk predikanten en leden van een betreffende buitenlandse kerk.
  4. De categorie vriendschapsrelaties komt te vervallen. 

Gronden

  1. De aangenomen gereformeerde kerkorde en gereformeerde belijdenis laten alleen onderlinge kerkelijke gemeenschap toe tussen ware kerken van Christus en hun leden (KO, art. 47 en 60; NGB, art. 27-29, 32). 
  2. Het toelaten van predikanten uit het buitenland op de kansel is een zaak die de kerken gezamenlijk aangaat en waarover de synode beslist. Dat geldt ook voor het openstellen van het avondmaal in plaatselijke kerken met inachtneming van KO, art. 47 en 60. 

Commissievoorstel

Commissie 3 heeft de bezwaren overwogen (zie Bijlage B) en stelt de synode voor de bezwaren af te wijzen. Daarvoor worden als gronden aangevoerd:

  1. Differentiatie in kerkelijke relaties betekent niet een verschillend niveau van ware kerk.
  2. Deputaten BBK hebben de opdracht om hierover nog een bezinning aan te bieden.

Zie voor dat laatste Impressie 3.

 

Bespreking

Verschillende vragen wordt gesteld en opmerkingen gemaakt. We geven er iets uit weer.

Niemand uit bezwaren tegen de 'criteria' zoals GS Leeuwarden die in 1990 formuleerde.

Is het juist om steeds de uitdrukking te gebruiken 'kerken die kunnen voldoen aan art. 29 NGB', alsof dat een maat is om kerken af te meten? Het gaat om het herkennen van kerken van Christus.
De vraag is of de 'vriendschapsrelatie' wel zinvol is. Nadere overweging is nodig.

Het zonder meer verbieden van meevieren van het Avondmaal in correspondentierelaties ontmoet weerstand.

Er wordt gesproken over 'trouwe kerken'. Wat wordt daarmee bedoeld, waarom niet gewoon gesproken over 'ware kerken'?

 

Toelichting commissie

Br. Vreugdenhil geeft nadere toelichting.
Bedacht moet worden dan er nog een opdracht ligt voor BBK om zich nog eens op het geheel te bezinnen.

 

Als gesproken worden over 'trouwe kerken' worden daar 'ware kerken' mee bedoeld. Alleen is er verschil in het niveau van contacten. Denk b.v. aan geografisch ver weggelegen kerken in India. En ook aan relaties met kerken die wij niet, maar onze zusterkerken wel hebben. Bijvoorbeeld de OPC, zusterkerk van de CanRC, die een nauwe relatie met kerken wereldwijd heeft. Hoe gaan wij daarmee om?

Het voorstel van de 'vriendschapsrelatie' is een eerste benadering.

 

De toelating tot de kansel is niet een zaak van de synode maar bevoegdheid en verantwoordelijkheid van de plaatselijke kerk. Wij hebben om goede redenen daarvoor overleg met andere kerken in de classes geregeld.

 

Synodebesluit

Met algemene stemmen worden de bezwaren verworpen en het door de commissie voorstelde besluit aangenomen.

De overwegingen in de bespreking worden meegegeven aan BBK.

 

Bezwaren en revisieverzoeken m.b.t. kerkelijke relaties

 

1 - T.a.v. de relatie met CanRC en OPC

 

Bezwaarschrift ds. S. de Marie en br. J. Horst

 

De broeders stellen de synode voor de volgende besluiten te nemen:

 

Besluitvoorstel 1

GS Zwolle 2026 besluit de zusterkerkrelatie met de CanRC met directe ingang op te schorten om in gesprek te gaan over de pluriformiteit van kerkelijke relaties, de bewaking van de avondmaalsviering, en de binding aan de gereformeerde belijdenis. De uitkomst van dit gesprek zal op de volgende synode worden gerapporteerd.

 

Gronden 

  1. De kerken zullen over en weer op elkaar toezien, dat in leer, kerkregering, tucht en eredienst niet afgeweken wordt van de gereformeerde leer.
  2. Er zal niet mogen worden berust in een situatie waarbij er meer dan één waar kerkverband in een land is vanwege Christus’ gebod tot eenheid 
  3. De Gereformeerde Kerken hebben op GS Groningen/Kornhorn geen valide principiële afwegingen gemaakt bij het aangaan van een zusterkerkrelatie met de CanRC m.b.t. het gereformeerde karakter van deze kerken, zoals toetsing aan de gereformeerde geloofsbelijdenis en de gereformeerde kerkorde
  4. De pluriformiteit die in de relaties van CanRC met andere kerkgenootschappen tot uiting komt, verdraagt zich niet met de katholiciteit van de kerk, zoals omschreven in HC, zondag 21, NGB, art. 27-29.
  5. De CanRC heeft bij het aangaan van kerkelijke relaties (EFs, NAPARC, ICRC) onvoldoende de kenmerken van de ware kerk betrokken. 
  6. Er zijn aanwijzingen dat de wijze van avondmaalsviering binnen de CanRC niet in overeenstemming is met KO, art. 60 en de heiligheid van het Avondmaal. 

Besluitvoorstel 2

GS Zwolle 2026 besluit de correspondentierelatie met de OPC met directe ingang op te schorten om in gesprek te gaan over de avondmaalsviering, de leer over de kerk en de binding aan de belijdenis. De uitkomst van dit gesprek zal op de volgende synode worden gerapporteerd.

 

Gronden 

  1. De kerken zullen over en weer op elkaar toezien, dat in leer, kerkregering, tucht en eredienst niet afgeweken wordt van de gereformeerde leer.
  2. Er zal niet mogen worden berust in een situatie waarbij er meer dan één kerkverband in een land is vanwege Christus’ gebod tot eenheid. 
  3. De Gereformeerde Kerken hebben op GS Groningen/Kornhorn geen valide principiële afwegingen gemaakt bij het aangaan van een correspondentierelatie met de OPC m.b.t. het gereformeerde karakter van deze kerken, zoals toetsing aan de gereformeerde geloofsbelijdenis en de gereformeerde kerkorde.
  4. Bij het aangaan van de correspondentierelatie hebben geen valide principiële afwegingen plaats gevonden m.b.t. het gereformeerde karakter van deze kerken zoals toetsing aan de gereformeerde geloofsbelijdenis en de gereformeerde kerkorde. 
  5. De pluriformiteit die in de relaties van de OPC met andere kerkgenootschappen tot uiting komt, verdraagt zich niet met de katholiciteit van de kerk, zoals omschreven in HC, zondag 21, NGB, art. 27-29.
  6. De OPC doet geen recht aan het handhaven van de waarheid van de Heilige Schrift m.b.t.  - de leer van de katholieke kerk (zichtbare kerk), opzicht en tucht van kerkleden en bij de viering van het heilig avondmaal,  - en de binding aan de gereformeerde belijdenis. 

2 - T.a.v. de beëindigde relatie met LRCA

 

2.1 - Revisieverzoek LRCA

 

De Liberated Reformed Church of Abbotsford (LRCA) verzoekt de synode de volgende oordelen uit te spreken:

  1. Dat Synode Lutten 2022 bij haar beoordeling van de LRCA geen rekening heeft gehouden met de besluiten van Synode Emmen 2009/2010 en Synode Groningen 2015, noch met de ondersteunende documentatie in Rapporten 1 en 2 van deputaten aan Synode Emmen 2009/2010 en het Rapport van Commissie 3 aan Synode Groningen 2015.
  2. Dat Synode Lutten bij het nemen van bovengenoemd besluit heeft gehandeld in strijd met Artikel 31 KO, dat luidt: - De uitspraak die bij meerderheid van stemmen gedaan is, zal als bindend worden aanvaard, tenzij bewezen wordt dat zij in strijd is met het Woord van God of met de Kerkorde.  En artikel 33 KO, dat luidt: “Wat eenmaal afgehandeld is moet niet opnieuw aan de orde worden gesteld, tenzij men van oordeel is dat wijziging noodzakelijk is.”
  3. Dat noch deputaten BBK in 2019 of 2020, noch Synode Lutten 2022 zijn ingegaan op het uitvoerige bewijsmateriaal dat de LRCA aan zowel de deputaten BBK als aan Synode Lutten heeft voorgelegd ter verdediging van haar kerkelijke positie.
  4. Dat het besluit van Synode Lutten om de LRCA op te roepen terug te keren naar de CanRC’s gebaseerd was op onjuiste uitgangspunten en daarom wordt herroepen.
  5. Dat het besluit van Synode Dalfsen 2024 - de zusterkerkrelatie met de LRCA te beëindigen - gebaseerd was op een onjuist uitgangspunt van Synode Lutten 2022 en daarom wordt herroepen.
  6. Dat het besluit van de Buitengewone Synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland (hersteld) Groningen 2024 en van de Buitengewone Synode van de Gereformeerde Kerken Nederland Kornhorn 2024 om een zusterkerkrelatie met de CanRC’s na te streven en het lidmaatschap van de ICRC te handhaven voorbarig was en daarom wordt herroepen.

2.2 - Revisieverzoek Gereformeerde Kerk Zwolle (Viaa)

 

De Gereformeerde Kerk van Zwolle (Viaa) verzoekt de synode uit te spreken:

  1. Het besluit tot de beëindiging van de zusterkerkrelatie met de LCRA op te schorten.
  2. Dat deputaten BBK niet alleen ‘beschikbaar’ zijn voor gesprek (besluit 2) maar de LCRA actief benaderen, en eventueel in een later stadium met deputaten van de CanRC.
  3. Dat op grond van de uitkomst van de bezinning op de verschillende praktijk van presbyteriaanse kerken in onze kerkelijke relaties, met name ten aanzien van confessioneel lidmaatschap en avondmaalspraktijk (artikel 10 Instructie BBK) een volgende Generale Synode nieuwe besluiten zal nemen over de acties en verantwoordelijkheden die wij op grond van onze zusterkerkrelatie hebben richting de LRCA.

Gronden

  1. De aangegane zusterkerkrelatie met de LRCA geeft verantwoordelijkheden, te meer omdat niet de LRCA zijn veranderd, maar De Gereformeerde Kerken.  
  2. De ingrijpende stap van beëindiging van een zusterkerkrelatie moet met geduld en zorgvuldigheid ingevuld worden, waar inspanning en grondige ontmoetingen onderdeel van zijn (Galaten 6:1-2).  
  3. De moeiten van de LRCA komen grotendeels overeen met de opgedragen bezinning aan deputaten BBK over confessioneel lidmaatschap en avondmaalspraktijk in presbyteriaanse kerken, de uitkomst van deze bezinning kan ook de LRCA helpen.  
  4. Ontwikkelingen hebben sinds de vrijmaking van de LRCA in 2007 niet stilgestaan in de CanRC, wat de oproep tot terugkeer naar de CanRC compliceert. Onze deputaten BBK kunnen daarbij mogelijk een bemiddelende rol spelen.

2.3 - Revisieverzoek ds. S. de Marie en br. J. Horst

 

De broeders verzoeken de synode de volgende besluiten te nemen:

 

Besluitvoorstel 1

GS Zwolle 2026 besluit het synodebesluit van GS Dalfsen 2024 art. 7.02 inzake LRC Abbotsford in zijn geheel te herroepen

 

Gronden

  1. De appellanten hebben aangetoond dat de uitspraken van GS Dalfsen 2024 met betrekking tot afwijking van de gereformeerde leer m.b.t. de katholiciteit van de kerk, onjuist zijn geweest.
  2. Door de appellanten is aangetoond dat de wijze van toelating tot het heilig avondmaal en het ontbreken van binding aan de belijdenis in de OPC, niet te verdedigen is met Schrift en belijdenis, en in strijd is met eerdere synodebesluiten.
  3. Het toelaten van de praktijk van avondmaalviering in de OPC heeft aantoonbare gevolgen voor de avondmaalviering in de CanRC.
  4. De appellanten hebben in aansluiting aan de uitspraak van GS Groningen 2014 aangetoond dat LRC Abbotsford in 2007 de kerkelijke weg reeds volledig heeft doorlopen.

Besluitvoorstel 2

GS Groningen 2026 besluit de uitspraak van GS Dalfsen 2024 art. 6.01 inzake LRC Abbotsford in zijn geheel te herroepen en te vervangen door de volgende tekst:

 “LRC Abbotsford laat zich kennen als ware kerk van Jezus Christus en toont daarbij de vereiste katholiciteit (het zoeken en uitoefenen van eenheid in de waarheid).”  

 

Gronden 

  1. De gronden van LRCA voor vrijmaking zijn legitiem: ze berusten op de Heilige Schrift, de Drie Formulieren van Eenheid (art. 7, art. 27-32) en de Gereformeerde Kerkorde (met name art. 60 KO) en gaan de drie kenmerken van de ware kerk aan (art. 29 NGB), namelijk:
    1. afwijzen van onschriftuurlijke avondmaalpraktijk, waarbij geen goede opzicht en tucht wordt toegepast en aanhangers van dwaalleer worden toegelaten.  
    2. afwijzen van het niet binden van kerkleden aan de belijdenis van de kerk in zusterkerk OPC en bij gasten uit OPC en vele andere kerken,  die deelnemen aan het Heilig Avondmaal van de CanRC.
    3. afwijzen van onschriftuurlijke pluriformiteitsleer en -praktijk binnen CanRC en haar zusterkerken.
  2. De kerkelijke weg m.b.t. bezwaren was in 2007 ten einde toe doorlopen, zoals GS Groningen 2014 terecht heeft vastgesteld.  
  3. LRCA heeft na haar vrijmaking in 2007 de CanRC meerdere keren opgeroepen om terug te keren naar Schrift, Belijdenis en Kerkorde. LRCA heeft ook contact gezocht met meerdere kerken over de wereld.  
  4. LRCA blijkt open te staan voor contacten met Presbyteriaanse kerken op voorwaarde dat de praktijken in deze kerken conform de Heilige Schrift en de geformeerde belijdenis zijn.

Besluitvoorstel 3

 GS Zwolle 2026 spreekt haar oprechte spijt uit voor het feit dat LRC Abbotsford onrecht is aangedaan door de besluiten van GS Lutten 2021 en GS Dalfsen 2024 en wil van harte de beëindigde zusterkerkrelatie herstellen onder de zegen van de Heere.  

 

Gronden

  1. Door LRCA te verwijten, dat ze ingaat tegen de leer van de katholiciteit en geen bestaansrecht heeft, is haar door de GS Lutten 2021 en GS Dalfsen 2024 groot onrecht aangedaan. Hetzelfde geldt voor het niet willen aanvaarden van de visie van LRCA op Presbyteriaanse kerken, zoals zij deze heeft uitgesproken tot deputaten BBK.
  2. De Heere Zelf vereist van Zijn kerk dat broeders en zusters hun zonden tegenover elkaar belijden (Lev. 5:5; Jak. 5:16). 

2.4 - Revisieverzoek br. W. Snippe

 

Br. Snippe vraagt revisie aan van

'het verkeerde besluit 1 van de GS Dalfsen t.a.v. van de LRCA om de zusterkerkrelatie te verbreken. Om dit besluit uit het midden van de kerken weg te nemen en terug te keren naar wat de GS Emmen en Groningen daarover besloten heeft. 

Verder ook om het besluit van de gezamenlijke synode van Groningen/Kornhorn om een zusterkerkrelatie aan te gaan met de Canadian Reformed Churches te heroverwegen en ook weg te doen uit het midden van de kerken en met deze kerken het gesprek aan te gaan…'.

 

Bespreking

 

Toelichting commissie

Br. Vreugdenhil licht het werk van commissie 3 die de bezwaren onderzocht, toe. De commissie heeft zich beperkt tot die zaken die nodig zijn voor de beoordeling van de bezwaren. De bezwaren vertonen veel overeenkomst in principiële argumenten, verder door de commissie aangeduid als 'leerstellige bezwaren'. De commissie heeft deze geïnventariseerd en die eerst van een beoordeling en besluitvoorstellen voorzien. Daarna zijn besluiten t.a.v. individuele bezwaarschriften geformuleerd.

 

De commissie heeft de gang van zaken in het verleden niet meegenomen. Het gaat om de vraag of de huidige situatie een verhindering zou kunnen zijn met name m.b.t. de zusterkerkrelatie met de CanRC. In dit kader is ook al het een en ander door de buitenlandse afgevaardigden toegelicht.
Verder is, gezien de korte beschikbare tijd voor de deputaten BBK tussen de twee synodes, de zaak van de ICRC en de 'verbondsvisie van de Westminster Confessie' niet concreet aan de orde geweest.

 

Leerstellingen

Nadat enige algemene punten naar voren zijn gebracht komen 'de leerstellingen' aan bod zoals de commissie die heeft geformuleerd en van een advies aan de synode heeft voorzien (zie Bijlage C voor de complete tekst).
We geven ze hier samengevat weer, samen met inbreng van de synodeleden, en voor zover ze aandacht kregen.

  1. Toelating tot avondmaal
  2. Binding aan belijdenis van ambtsdragers
  3. Binding aan belijdenis van gemeenteleden
  4. Toelaten predikanten uit andere kerkverbanden
  5. Zichtbare en onzichtbare kerk
  6. Zuivere en minder zuivere kerken
  7. Onderscheid tussen dopelingen
  8. Geen catechisatie?
  9. Pluriformiteit van de kerk
  10. NAPARC

Ad B - Binding aan belijdenis van ambtsdragers

 

De OPC bindt haar leden aan 'het systeem van de leer'. Is dat een soort raamwerk en biedt dat ruimte om af te wijken van de leer van de kerk?
Maar op haar website valt te lezen:

 

'Ontvangt en aanvaardt u van harte de Belijdenis des geloofs in de Catechismussen van de kerk als bevattende het systeem van de leer die wordt onderwezen in de Heilige Schrift?'

 

Dus het geheel van de belijdenis. Vergelijk dit met ons ondertekeningsformulier dat alleen over de leer van de Drie Formulieren van Eenheid gaat. Daarbij zijn er details waaraan we ons niet gebonden achten, denk b.v. aan waar gesteld werd dat de Hebreeën brief van Paulus zou zijn (stond in de belijdenis tot 1970). En dat Judas aan het Avondmaal zou hebben deelgenomen.

Als er bij de ondertekening voorbehoud wordt gemaakt, dan is het ter beoordeling van de classis of dat aanvaardbaar is.

Verder moet worden bedacht dat de Westminster Confessie heel uitgebreid is, m.n. de Grote Catechismus. Daarom wordt gebonden aan 'het systeem van de leer' en niet 'aan de letter'. Ook de OPC wil de leer van de Schrift handhaven.

Ons systeem en onze ondertekening zijn niet de norm.

 

Er wordt moeite ervaren met de manier waarop geredeneerd wordt in de bezwaarschriften: van de kenmerken van de kerk naar de katholiciteit. Maar in de opbouw van de NGB gaat het toch eerst over Christus, Zijn kerk, zich daarbij voegen, dan de kenmerken en tenslotte over de ambten.
 

Ad C - Binding aan belijdenis van gemeenteleden

 

Ook bij ons is er discussie over de vragen bij de geloofsbelijdenis. Maar dat is niet kerkscheidend als wordt vasthouden aan de leer van de kerk die als heel belangrijk wordt gezien door de kerken. De precieze uitwerking in andere landen kan anders zijn.
Daarbij moet bedacht worden dat ook in onze kerken mensen lid kunnen worden die dwalen, ook b.v. tegen de kinderdoop zijn. We spreken daarover en accepteren dat niet als 'gewoon', stellen er voorwaarden aan.

 

Ad F - Zuivere en minder zuivere kerken

 

De opvattingen van de RCUS krijgen enige aandacht. Deze kerk - Reformed Church in the United States - aanvaardt de Drie Formulieren van Eenheid.

Er is een RCUS uitspraak dat het niet perse nodig is de 'zichtbare kerk' vorm te geven en ook niet absoluut nodig om tot één kerkregering te komen. Met deze opvattingen kan het in Canada gebeuren dan in een plaats een gereformeerde en presbyteriaanse kerk naast elkaar blijven bestaan.

Een stukje achtergrond kan helpen de situatie van RCUS die al meer dan 300 jaar bestaat, te begrijpen. Hun gemeenten bevinden zich alleen in de USA, zonder een CanRC gemeente in de nabijheid. Midden jaren dertig van de vorige eeuw hebben ze een enorme crisis doorgemaakt. Daardoor bleef er maar 1 classis met weinig predikanten en ouderlingen over. Met hulp van de OPC zijn ze overeind gebleven. Het verklaart dat zij hun prioriteit gelegd hebben bij geestelijke en niet bij organisatorische eenheid. Vergelijk dit met ook met het bestaan van CanRC en URC.

En ook in ons land komt het voor dat er meerdere gemeenten in dezelfde plaats zijn zonder dat zij zich verenigen, zelfs als wel noodzakelijk is voor het voortbestaan.

 

Ad I - Pluriformiteit van de kerk

 

Het voorbeeld van het zelfstandig bestaan van 'Waalse kerken' ten tijde van het ontstaan de Dordtse kerkorde is niet van toepassing. Daar speelde immers de taalbarrière een rol. Vergelijk onze relatie met de Duitse SERK kerken waarmee we ook niet in één verband leven.

Maar het gaat nu wel om presbyteriaanse en gereformeerde kerken met dezelfde taal in hetzelfde land. Daartegen wordt opgemerkt dat er meerdere culturele verschillen kunnen zijn die gescheiden bestaan rechtvaardigen, zoals bijvoorbeeld de zangcultuur. Daar hebben ook de CanRC mee te maken.

En vergelijk de situatie in de gereformeerde kerken na de Vereniging van 1892 waarna er nog zo'n 30 jaar A- en B-kerken naast elkaar bleven bestaan.

 

Ad J - NAPARC, de North American Presbyterian and Reformed Council

 

In tegenstelling tot de ICRC, worden bij de NAPARC aangesloten lidkerken níet gelijk als kerken van Christus erkend. Wel geven zij met hun lidmaatschap uitdrukking aan de eenheid in Christus. En dat ook verder willen stimuleren. Het blijft lastig als er toch kerkelijk naast elkaar wordt geleefd.

In de NAPARC gelden twee afspraken: stem evangelisatieactiviteiten op elkaar af, en respecteer bij overgang van gemeenten of gemeenteleden eerder genomen tucht. Tuchtmaatregelen hoeven niet verplicht te worden overgenomen maar neem er wel kennis van.

En verder, de CanRC synode van Aldergrove heeft uitgesproken dat toegang tot het Avondmaal een zaak is van de plaatselijke kerkenraad, en toelating tot de kansel van classis en synode.

 

Synodebesluiten

Alle voorgestelde 'leerstellingen' worden met algemene stemmen aangenomen.

Dat geldt ook het slotbesluitvoorstel:

 

'De synode spreekt uit dat in de besproken bezwaren, zoals de zeven appelschriften of revisieverzoeken die noemen, geen belemmering wordt gevonden voor een zusterkerkrelatie.'

 

Verdere bespreking

 

1 - Relatie met CanRC en OPC

 

Commissie 3 stelt dat de bezwaarden een incompleet beeld geven van de weg waarlangs deze besluiten tot stand zijn gekomen en dat zij zich maar heel beperkt confronteren met de argumenten van synode Dalfsen 2024 m.b.t. de situatie van de CanRC en OPC.

 

Besluitvoorstel

De commissie stelt voor de bezwaren af te wijzen op grond van

  1. In voorafgaande synoden, inclusief voorafgaande GKN synoden, is voldoende te vinden hoe deze kerkelijke relaties tot stand zijn gekomen.
  2. De aangevoerde bezwaren tegen praktijken en regelingen binnen CanRC en OPC zijn voldoende weerlegd in het eerdere besluit van de synode.

Bespreking

In de acta van de GKN synode waarin het besluit viel een zusterkerkrelatie aan te gaan met de CanRC is niet veel informatie te vinden, zo wordt opgemerkt. Maar m.n. de toespraak van afgevaardigde dr. R.C. Janssen heeft veel verhelderd. En eigenlijk voelt de huidige zusterkerkrelatie met de CanRC als de voorzetting van die we destijds als GKv hadden.

 

Besluit

Aangenomen, met 1 onthouding.

 

2 - Bezwaren tegen verbreken relatie met LRCA

 

Ook t.a.v. van deze bezwaren heeft de commissie voorstellen gedaan. Deze kunnen als volgt worden samengevat. Daarin zijn ook vragen en opmerkingen van de synodeleden verwerkt.

 

Toelichting commissie

De commissie stelt dat met behandeling van de 'leerstellige bezwaren' (zie boven) de 'principieel-geladen bezwaren' - toelating Avondmaal, binding aan de belijdenis, etc -  voldoende zijn behandeld. Wat overblijft zijn 'procedurele bezwaren'. We vatten ze samen met enige toelichting nog van de commissie.

 

Er zou in de besluitvorming, zo wordt in de revisieverzoeken gesteld, onvoldoende acht zijn geslagen op wat door de voorgaande synodes Emmen 2010, Groningen 2015 werd besloten. Al het bewijsmateriaal dat de LRCA aanleverde aan GS Lutten 2022 en de BBK is niet verwerkt. Bovendien werd, in strijd met art. 33 KO, een afgehandelde zaak opnieuw op de agenda gezet. 

Maar de commissie stelt dat GS Lansingerland 2018 en GS Lutten 2022 al besluiten namen die in een andere richting wezen dan de synodes van 2010 en 2015. En art. 33 KO geeft wél de mogelijkheid om een zaak opnieuw aan de orde te stellen als er een gewijzigd inzicht is in een zaak. Ook nu is er weer aandacht gegeven aan het bewijsmateriaal van de LRCA, zie hierboven onder het kopje Leerstellingen en Bijlage C.

 

Ook zouden argumenten in een eerder revisieverzoek aan GS Dalfsen 2024 zijn genegeerd. En standpunten van de LRCA verkeerd weergegeven.

Echter met het nu voorliggende revisieverzoek van de LRCA zijn die argumenten voldoende duidelijk en ook behandeld, nogmaals zie Leerstellingen.

 

Was het niet nodig geweest een meer 'constructief  besluit' te nemen en meer nadruk op een broederlijk gesprek met de LRCA te leggen? Nu kan zo toch niet verwacht worden dat LRCA zich laat overtuigen om zich weer aan te sluiten bij de CanRC? Daarom zou goed zijn om de beëindiging van de zusterkerkrelatie met LCRA op te schorten.  

Maar dat lijkt de commissie niet verstandig. Ook dan zou het besluit nog blijven bestaan. Beter is met geduld toch weer het gesprek aan te gaan.

 

Al met al stelt de commissie voor de voorstellen in de revisieverzoeken niet te honoreren.

 

Bespreking

De vraag wordt gesteld of er niet meer rekening gehouden moet worden met het ontstaan van de LRCA. Daar zijn we immers niet los van. Als Bijbels voorbeeld wordt genoemd het verbond dat de Gibeonieten destijds sloten onder Jozua. Dat werd houden ondanks de verkeerde start.

Gaat het ook niet meer om de situatie zoals die nú is? Voor het verbreken van de relatie moeten goede gronden zijn. Is er sprake van een afwijkende leer bij de LRCA? Verder moeten ook artikel 31 en 33 KO niet te gemakkelijk niet van toepassing worden verklaard. Het blijft lastig om vanuit Nederland opdrachten te geven over wat mensen in Canada zouden moeten gaan doen.

 

In maart 2022 al werd door BBK het besluit voorgesteld de zusterkerkrelatie nog te handhaven maar wel op te roepen tot terugkeer naar de CanRC zonder voorwaarden en zo ook de kerkorde m.b.t. de kerkelijke weg te handhaven. Daarbij werd steun van deputaten aangeboden.

De relatie met de LRCA eindigde in 2024 en was dus ook geen zaak meer op de 'combi-synode'. Opnieuw was er wel het voorstel contact te houden, in overleg met de CanRC. Dat is er ook geweest, deputaten waren daarvoor beschikbaar.

Maar de LRCA voert tot vandaag nog steeds dezelfde argumenten aan als die destijds werden gebruikt bij haar afscheiding van de CanRC. Behalve dan, dat niet meer verwezen wordt naar de verbondsleer en de 'zekerheid van het geloof' als verwoord in de Westminster Confessie, dat ontbreekt nu.
 

De afgevaardigde van CanRC dr. Janssen hanteert i.p.v. 'afscheiding' liever het begrip 'onttrokken' als het gaat om het gebeuren in 2007. De CanRC werd niet gespitst maar er is toen een nieuwe kerk gesticht. Het grote probleem is dat de LRCA de CanRC beschouwd als 'een valse kerk'. Daar ligt het fundamentele punt in de kerkrelatie tussen LRCA en de CanRC.

Tegelijk, zo wordt opgemerkt, moeten we de broeders en zusters niet als vijanden zien maar een appel op hen doen. Ze willen immers contact met ons, zo blijkt uit hun revisieverzoek. Hier liggen mogelijkheden om samen het gesprek aan te gaan.
Vergelijk het met onze verhouding als GK met de CCK. We hebben hen niet 'erkend' maar gaan wel gesprekken met deze kerken aan.

 

Zou het mogelijk zijn een correspondentierelatie met de LRCA aan te gaan?, zo wordt geopperd, zo nog een mijl mee te gaan? Daarin actief zijn en niet passief afwachten? We zouden het van harte willen, zeggen verschillende broeders.
Maar het pijnlijke blijft dat de LRCA de andere kerken vals noemt. Bovendien, deputaten BBK zijn er geweest, hebben al uitgebreid schriftelijk gecommuniceerd.

 

Dr. Janssen geeft aan dat de LRCA 'van harte welkom' is binnen de classis Pacific East waar Abbotsford toebehoort. Want naar zijn oordeel vallen hun denken en uitingen binnen de bandbreedte van de belijdenis. Maar hij benadrukt nogmaals dat het probleem is dat LRCA van de CanRC zeggen dat zij volgens art. 29 NGB valse kerken zijn, gelijk aan de rooms-katholieke kerk. Daarvan zegt de CanRC: dat kan niet. Ook de vergelijking met de CGK gaat niet op, zij hebben immers niet van de GK gezegd dat zij valse kerken zijn.
De ouderlingen van de LRCA gebruiken vaak de kerkorde als belijdenisgeschrift. Daar gaat het fout.

 

Vervolgens neemt de synode besluiten over de afzonderlijke revisieverzoeken.

 

1 - Besluitvoorstel t.a.v. Revisieverzoek LRCA

 

De commissie stelt voor om niet aan het verzoek te voldoen en geen van de oordelen uit te spreken.

 

Gronden

  • Het appelschrift noemt niet dat GS Lansingerland 2018 en GS Lutten 2021 al besluiten namen in een andere richting dan 2010 en 2015.
  • Het ‘tenzij’ in artikel 33 KO geeft ruimte iets aan de orde te stellen, wanneer voortgaand of gewijzigd inzicht daar aanleiding toe geeft.
  • Nu heeft de LRCA opnieuw uitvoerig bewijsmateriaal geleverd. Deze is behandeld in het rapport BBK Commissie. Het bezwaar dat bewijsmateriaal niet wordt meegenomen in de overwegingen kan nu niet meer gelden.

Besluit

Met algemene stemmen aangenomen.

 

2 - Besluitvoorstel t.a.v. Revisieverzoek Gereformeerde Kerk Zwolle (Viaa)

  1. De gevraagde besluiten niet over te nemen.
  2. De LRCA uitgebreid te informeren waarom de zusterkerkrelatie verbroken was en blijft, en opnieuw op te roepen tot terugkeer naar CanRC. Ook LRCA nadrukkelijk wijzen op de beschikbaarheid van onze deputaten voor toelichting en steun.
  3. Nieuw te benoemen deputaten BBK opdracht te geven de LRCA ook actief te benaderen, en zo mogelijk toelichting en ondersteuning te geven.

Gronden

  • Het is moeilijk achteraf te beoordelen of de beëindiging te snel is doorgevoerd. Maar nu opschorten van een besluit dat in het verleden al geëffectueerd is, lijkt zeker geen verstandige werkwijze, want dan zou het besluit wel blijven bestaan.
  • Gezien het gezamenlijk verleden is het goed om geduld te oefenen, waar inspanningen en ontmoetingen onderdeel van zijn (Galaten 6:1-2).
  • De gevraagde bezinning op de praktijk van presbyteriaanse kerken is voldoende te vinden in het eerdergenoemde rapport van commissie 3.

Amendement

Het derde besluitvoorstel vervalt, het wordt geacht al verwoord te zijn in het tweede besluitvoorstel. Verder werd de suggestie gedaan het gesprek met de LRCA samen met de CanRC te gaan doen.

 

Besluit

Het geamendeerde voorstel wordt met algemene stemmen aangenomen.

 

3- Besluitvoorstel t.a.v. Revisieverzoek ds. S. de Marie en br. J. Horst

 

De commissie stelt voor de gevraagde besluiten niet over te nemen.

 

Gronden

  • Het ‘tenzij’ in artikel 33 KO geeft ruimte iets aan de orde te stellen, wanneer voortgaand of gewijzigd inzicht daar aanleiding toe geeft.
  • De gevraagde bezinning op de argumenten van de appelanten is voldoende te vinden in het eerdergenoemde rapport van commissie 3 [zie 'Leerstellige bezwaren, djb].

Besluit

Aangenomen met 1 onthouding.

 

4 - Besluitvoorstel t.a.v. Revisieverzoek br. W. Snippe

 

Besluitvoorstel

De commissie stelt voor om niet in te gaan op dit verzoek.

 

Gronden

Het eerdergenoemde rapport BBK Commissie [zie 'Leerstellige bezwaren', djb] weerlegt de gronden waarom de LRCA zou mogen afsplitsen van de CanRC.

 

Besluit

Met algemene stemmen aangenomen.


 

Bijlage A - Regeling Differentiatie Buitenlandse Contacten

(Uit bijlage bij Acta gezamenlijk deel Buitengewone Synoden GS Groningen en GS Kornhorn)

 

De kerken hanteren voor hun officiële contacten met trouwe christelijke kerken in het buitenland verschillende niveaus van intensiteit, namelijk in aflopende volgorde:

  1. Zusterkerkrelatie
  2. Correspondentierelatie
  3. Vriendschapsrelatie

De invulling van deze verschillende relaties wordt hierna gegeven. Daarbij zal er rekening mee moeten worden gehouden,

  1. dat Christus Zijn kerk onder verschillende volken, die elk door hun bijzondere geografische ligging, historie en cultuur zijn bepaald, vergadert, zodat buitenlandse kerken om verschillen op ondergeschikte punten inzake wijze van belijden, liturgie, kerkorde en praktijk niet veroordeeld zullen worden;
  2. dat wanneer er sprake is van relaties met derden, zorgvuldig dient te worden nagegaan, wat deze relaties voor de desbetreffende kerk betekenen om zo de waarde, de zin en eventueel de wijze van aangaan en/of oefening van een zusterkerkrelatie te beoordelen.

A. Zusterkerkrelatie

Dit is de meest nauwe relatie die we kennen met een buitenlandse kerk. De kern ervan is dat we elkaar naar gereformeerd belijden erkennen als ware kerken van Christus, wederzijds willen toezien op elkaars leer en leven en kerkelijke gemeenschap oefenen. De regels die hiervoor gelden, zijn:

  1. Tot het aangaan, resp. beëindigen van een zusterkerkrelatie wordt besloten door een generale synode.
    Een zusterkerkrelatie betekent voor onze kerken verplichtingen naar de zusterkerk toe, en geeft hun voorrechten naar onze kerken toe. De synode kan hierin variaties aanbrengen per zusterkerk, als de specifieke situatie daarom vraagt. Anderzijds verwachten wij dat de zusterkerk soortgelijke verplichtingen aanvaard. Deze verplichtingen en voorrechten zijn:
  2. Wij nodigen afgevaardigden van een zusterkerk uit voor onze synodes; anderzijds zenden wij afgevaardigden naar hun synodes.
    Hun afgevaardigden hebben recht van spreken en advies op onze synodes, en recht op het bijwonen van besloten vergaderingen.
    In de tijd tussen synodes hopen afgevaardigden elkaar te ontmoeten en spreken bij andere gelegenheden, waaronder conferenties van ICRC.
  3. Wij aanvaarden attestaties van de zusterkerken, en aanvaarden ook hun erkende voorgangers in de bediening van woord en sacramenten. We respecteren hun pastorale zorg en tucht.
  4. Bij belangrijke onderwerpen, zoals inhoudelijke wijzigingen in belijdenissen, formulieren of kerkorde vragen we zusterkerken om advies.
  5. Wij zullen elkaar informeren met betrekking tot het aangaan van relaties met derden.
  6. We wisselen de belangrijkste kerkelijke documenten uit: Acta van synodes, teksten van belijdenissen, formulieren, kerkorde en liedboeken.
  7. We spreken met de zusterkerk af dat zij ons op soortgelijke manier behandelen, waarbij we respect hebben voor variaties in de manier waarop zij daaraan vormgeven.

B. Correspondentierelatie

Dit is een minder vergaande relatie dan zusterkerk. De betreffende kerken zijn te kennen als trouwe kerken van Christus, maar het wederzijdse toezicht is veel minder intens. Dit soort contact kan zinvol zijn op weg naar een zusterkerkrelatie, maar is ook van toepassing in situaties waarbij omstandigheden, bijvoorbeeld taalverschillen, een volledige zusterkerkrelatie belemmeren. De regels die hiervoor gelden, zijn:

  1. Tot het aangaan, resp. beëindigen van een correspondentierelatie wordt besloten door een generale synode.
    Een correspondentierelatie betekent voor onze kerken verplichtingen naar deze kerken toe, en geeft hun voorrechten naar onze kerken toe. De synode kan hierin variaties aanbrengen per buitenlandse kerk, als de specifieke situatie daarom vraagt. Anderzijds verwachten wij dat deze kerken soortgelijke verplichtingen naar ons aanvaarden. Deze verplichtingen en voorrechten zijn:
  2. Wij informeren corresponderende kerken over onze synodes; onze deputaten BBK kunnen besluiten hen uit te nodigen op onze synodes of hun synodes te bezoeken, als daarvoor goede gronden bestaan. Hun afgevaardigden mogen onze synodes bijwonen als gast, ook indien ze niet expliciet waren uitgenodigd; zij mogen ook de synode toespreken.
    Onze synode kan besluiten deze afgevaardigden het recht te geven van spreken, adviseren en bijwonen van besloten vergaderingen.
    In de tijd tussen synodes hopen afgevaardigden elkaar te ontmoeten en spreken bij andere gelegenheden, waaronder conferenties van ICRC. Deputaten streven ernaar minstens eenmaal per 4 jaar contact te hebben.
  3. Over het aanvaarden van attestaties van deze kerken, en aanvaarden van hun erkende voorgangers in de bediening van Woord en sacramenten, beslist de plaatselijke kerk.
    Deputaten BBK zijn bereid hierin te adviseren. Uitgangspunt is dat wij hun pastorale zorg en tucht respecteren.
  4. We wisselen enkele belangrijke kerkelijke documenten uit: Acta van synodes en teksten van belijdenissen.
  5. We spreken met deze kerken af dat zij ons op soortgelijke manier behandelen, waarbij we respect hebben voor variaties in de manier waarop zij daaraan vormgeven.

C. Vriendschapsrelatie

Dit gaat minder ver dan correspondentie. Er zijn weinig of geen directe officiële contacten, maar wel indirecte contacten of persoonlijke contacten.

  1. Met leden van de ICRC buiten Nederland waarmee geen zusterkerk of correspondentie relatie bestaan, hebben onze kerken een vriendschapsrelatie, tenzij de synode anders besluit. Daarnaast kan de synode besluiten ook andere kerken onder deze regeling te laten vallen.
  2. Deputaten BBK mogen, in uitzonderingsgevallen, kerken met een vriendschapsrelatie uitnodigen om afgevaardigden te sturen naar onze generale synode.
    Afgevaardigden van deze kerken worden welkom geheten op onze synodes, ook indien ze niet expliciet waren uitgenodigd. De synode besluit welke voorrechten ze hebben.
  3. Over het aanvaarden van attestaties van deze kerken beslist de plaatselijke kerk. Deputaten BBK zijn bereid hierin te adviseren. Uitgangspunt is dat wij hun pastorale zorg en tucht respecteren.
  4. Bij wijzigingen in onze belijdenisgeschriften, die verder gaan dan taalkundige aanpassingen, informeren wij deze kerken.

 

Provisorisch vastgesteld

Harderwijk, 30 november 2024

 

Bijlage B - Commissie 3 - Differentiatie kerkelijke relaties

 

Inhoudelijk

  1. Het is nogal vergaand om te stellen dat artikel 29 van de NGB het enige en normatieve kader voor de beoordeling van andere kerken is. Hier wordt voorbijgegaan over wat de Schrift verder zegt over de verschillende kerken en wat er ook verder in de belijdenis beleden wordt over de kerk ook door andere gereformeerde kerken met de Westminster Confessie.
  2. Bezwaarden hebben niet aangetoond dat met het woord trouwe kerk een andere categorie van kerk-zijn wordt geïntroduceerd.
  3. Dat de OPC geen binding aan de belijdenis zou kennen is niet gedocumenteerd en ook weerlegd in het rapport BBK bezwaren.
  4. Uit de instructie is niet duidelijk dat deze praktijk daaraan verbonden is.
  5. Het is zeer de vraag of artikel 60 spreekt over zusterkerken in het buitenland en hier als argument kan dienen.
  6. De regeling holt die gezamenlijke verantwoordelijkheid niet uit, maar zo wordt juist recht gedaan aan zowel de plaatselijke als de gezamenlijke verantwoordelijkheid.

Procedureel

De instructie is provisorisch vastgesteld. Deputaten BBK hebben de opdracht om “de volgende GS te dienen met een verantwoording ten aanzien van de kerkelijke relaties en daarbij de overwegingen die tijdens de bespreking in de vergaderingen op 19 oktober en 30 november zijn genoemd te verwerken” uit het rapport deputaten BBK.

De deputaten zijn hier niet aan toegekomen en vragen de synode voor deze opdracht nog drie jaar de tijd te geven.

Het zou op dit moment voorbarig zijn de bezwaren toe te kennen, aangezien hier nog een studieopdracht ligt voor BBK.

 

Voorgesteld besluit:

De synode, in vergadering bijeen op … spreekt uit dat dit bezwaarschrift wordt afgewezen.

Gronden:

  1. Differentiatie in kerkelijke relaties betekent niet een verschillend niveau van ware kerk.
  2. Deputaten BBK hebben de opdracht om hierover nog een bezinning aan te bieden.

Bijlage C - Commissie 3 - Leerstellige bezwaren

 

De commissie (3) die de bespreking op de synode voorbereidde constateerde dat in de ingediende bezwaren t.a.v. kerkelijke relaties  verwezen naar 'een beperkt aantal knelpunten, die steeds in andere contexten terugkomen'. Kort gezegd, het komt veelal neer op een beperkt aantal principiële standpunten die een rol spelen in de beoordeling van verschillende situaties. Daarom besprak de synode deze eerst. De commissie had daarvoor een document - 'Leerstellige bezwaren' - voorbereid.

 

Leerstellige bezwaren

 

Inleiding

 

Bij de synode zijn meerdere revisieverzoeken ingediend die zich focussen op de kerkelijke situatie in Noord-Amerika en ook verder wereldwijd. In deze bezwaren over diverse kerkelijke relaties wordt verwezen naar een beperkt aantal knelpunten, die steeds in andere contexten terugkomen. We hebben te maken met een meertrapsredenering, met als kenmerkend voorbeeld (met weglating van nuances): De OPC kent afwijkingen; de CanRC heeft goede contacten met de OPC, dus ook CanRC is fout; dus LRCA heeft zich terecht van CanRC afgescheiden. Het betreft een complex netwerk van inhoudelijk-dogmatische standpunten, verschillende kerkverbanden en kerkelijke relaties.

 

De relevante revisieverzoeken

 

Dit rapport richt zich op de principieel-onderbouwde bezwaren, te vinden in een reeks bezwaarschriften of revisieverzoeken. Ter wille van de overzichtelijkheid geven we achter de formele aanduiding van deze documenten een korte naam, samengesteld uit een afkorting van de indieners, gevolgd door een aanduiding van het onderwerp.

  • BZS_20260117 P. Bos: Bezwaarschrift tegen Differentiatie van Kerkelijke Relaties, Acta GS Groningen/Kornhorn 2024 Art. 14 en 24 (Bos-Diff)
  • BZS_20260223 T.L. Bruinius, J. Horst en S. de Marie: Bezwaarschrift tegenDifferentiatie Buitenlandse Contacten, Acta GS Groningen/Kornhorn 2024 pag. 61, 62 (BHdM-Diff)
  • APS_20260216 Liberated Reformed Church at Abbotsford (LRCA): Appelschrift (in het Nederlands en in het Engels) met begeleidende e-mail en bijlage, tegen GS Dalfsen 2024 Artikel 6.01 en GS Lutten 2022 Artikel 6.01 (LRCA-A)
  • REV_20251210 GK Zwolle e.o. Viaa: Revisieverzoek m.b.t. LRCA, Acta GS Dalfsen 2024 Art. 6.01 (GKZV-A)
  • REV_20260204 W. Snippe: Revisieverzoek m.b.t. LRCA, Acta GS Groningen/Kornhorn 2024 Art. 6 (Sn-A)
  • REV_20260223 S. de Marie en J. Horst: Revisieverzoek m.b.t. LRCA, Acta GS Dalfsen 2024 Art. 7.02 en 6.01 (dMH-A)
  • BZS_20260223 S. de Marie en J. Horst: Bezwaarschrift tegen besluiten t.a.v. CanRC en OPC, Acta GS Groningen/Kornhorn 2024 Art. 6 en Art. 7 (dMH-CO).

Achtergrondinformatie

 

Dit rapport richt zich op de leerstellige punten die worden aangevoerd als bezwaar tegen contacten met enkele buitenlandse kerken en kerkorganisaties. Hierbij worden de volgende afkortingen gebruikt:

  • CanRC, de Canadian and American Reformed Churches, een kerkverband voornamelijk in Canada met enkele gemeenten in het noorden van de USA. Dit kerkverband is voornamelijk ontstaan van uit ‘vrijgemaakte’ immigranten, hebben steeds een zusterkerkrelatie gehad met de GKv en hebben nu een zusterkerkrelatie met de GK (dat laatste wordt nu bestreden in dMH-CO).
  • LRCA, de Liberated Reformed Church of Abbotsford. Een gemeente in Abbotsford (Canada) die zich heeft afgescheiden van de CanRC, en jarenlang een zusterkerkrelatie had met DGK. Zowel hun afscheiding van CanRC als het beëindigen van de relatie met DGK zijn inhoud van diverse appelschriften (LRCA-A, GKZV-A, Sn-A, dMH-A).
  • OPC, Orthodox Presbyterian Church. Een kerkverband in de USA, met vier gemeenten in Canada. Zij aanvaarden de Westminster Confessie en Catechismussen. De regionale overlap met CanRC is minimaal.
  • URCNA. United Reformed Churches of North America. Een kerkverband met duidelijk Nederlandse achtergrond, vanaf 1990 ontstaan wegens principiële afwijkingen in voornamelijk de CRC (vrouw in het ambt, Schriftgezag, schepping en evolutie …). De gemeenten zijn verspreid over USA en Canada. Er is een vergaande overeenstemming met CanRC, maar eenwording is gestuit op verschillen over kerkzang en opleiding predikanten, terwijl vermoedelijk ook een verschil in geloofsbeleving meespeelde.
  • RCUS. Reformed Church in the United States. Kerken met een Duitse achtergrond, die ook onze Drie Formulieren van Eenheid aanvaarden. Hun gemeenten zijn alleen in de USA, zonder een CanRC gemeente in de nabijheid.
  • ERQ. Église réformée du Québec. Franstalige gereformeerde kerk in de Franstalige provincie Quebec van Canada.  
  • PCA. Presbyterian Church of America. Lid van NAPARC, verder geen band met CanRC. Zij zijn geconcentreerd in het zuiden van de USA, met weinig gemeenten in Canada.
  • NAPARC. North American Presbyterian and Reformed Churches. Een organisatie van
  • 13 kerkverbanden in Noord-Amerika, allen ‘behouden-gereformeerd’. De basis is de 3 FvE en Westminster standaarden. Deze organisatie heeft een beperkte doelstelling en kan alleen adviseren: to advise, counsel, and cooperate in various matters with one another, and to hold out before each other the desirability and need for organic union of churches that are of like faith and practice (adviseren en samenwerken in verschillende zaken met elkaar, en elkaar voorhouden de wenselijkheid en noodzaak tot organisch eenheid van kerken die gelijk zijn in geloof en praktijk.).

Bespreking leerstellige bezwaren

[d.w.z. interne overwegingen commissie, niet synodebespreking, DJB]

 

Dit rapport richt zich uitsluitend op inhoudelijk-leerstellige bezwaren. In verschillende bezwaarschriften wordt ook verwezen naar besluiten uit het verleden en naar de manier waarop die tot stand gekomen zijn. Deze historische en kerkrechtelijke aspecten worden buiten dit rapport gehouden.

 

De bezwaren worden als volgt gegroepeerd:

  1. Toelating tot avondmaal
  2. Binding aan belijdenis van ambtsdragers
  3. Binding aan belijdenis van gemeenteleden
  4. Toelaten predikanten uit andere kerkverbanden
  5. Zichtbare en onzichtbare kerk
  6. Zuivere en minder zuivere kerken
  7. Onderscheid tussen dopelingen
  8. Geen catechisatie?
  9. Pluriformiteit van de kerk
  10. NAPARC

In sommige bezwaarschriften wordt nog kort verwezen naar bezwaren tegen de Westminster standaards in het algemeen, ook naar de manier waarop deze spreken over het verbond en de zekerheid van het geloof. Er wordt ook verwezen naar bezwaren regen de ICRC (International Conference of Reformed Churches). Omdat die bezwaren niet worden uitgewerkt in de bezwaarschriften, worden ze in dit rapport niet verder besproken.

 

Werkwijze

De onderstaande reeks bezwaren is samengesteld uit de diverse revisieverzoeken. De opbouw is als volgt:

  • Een korte aanduiding van de inhoud van het bezwaar, gevolgd door een aanduiding in welke bezwaarschrift dit wordt gevonden.  
  • Een aantal overwegingen m.b.t. dit bezwaar. Deze kunnen van uiteenlopende aard zijn, lopend van de vraag of het bezwaar correct onderbouwd is tot toetsing aan Schrift en belijdenis.
  • Tot slot een beargumenteerd advies aan de synode omtrent een uitspraak over het bezwaar.

Beschouwingen vooraf

 

Nederland en Amerika zijn verschillend

 

De revisieverzoeken bij het onderwerp Buitenlandse Kerken hebben één ding gemeen: ze cirkelen rond de vraag: wat is de kerk, wat zijn de grenzen van de kerk?  Bezinning op achtergrond van deze vraag is nodig.

 

Alle indieners van deze verzoeken hebben een duidelijk Nederlandse achtergrond; dat geldt ook voor het verzoek uit Abbotsford. Specifieker: de Nederlandse situatie van vele kerken die zich gereformeerd noemen. Allemaal ontstaan uit afsplitsingen in de laatste tweehonderd jaar, afsplitsingen die sterk principieel geladen waren. In deze specifieke situatie hebben wij  - inclusief de indieners - geworsteld hoe we daarmee om moeten gaan, en gediscussieerd welke rol NGB art 27-29 daarin speelt. We hebben ervan geleerd, ook dat er nuanceverschillen zijn binnen ‘onze’ kerken.

 

In de contacten met buitenlandse kerken komen we ineens in een andere situatie terecht, zeker op het Noord-Amerikaanse continent. Daarin zijn minstens zoveel gereformeerde kerkverbanden, maar dat heeft een heel andere oorsprong. Dit Amerika is een lappendeken van immigranten met verschillende nationaliteiten, culturen en achtergronden, verschillen die ook vandaag heftig doorwerken. Dat er verschillende kerkverbanden zijn komt veel meer door een verschillende historie in andere culturen dan door kerkelijke factoren. Die factoren hebben ondertussen ook gezorgd voor behoorlijke verschillen in gewoontes, sfeer, kerkregering enz. In de USA zijn in de tijd van de burgeroorlog (ruim 150 jaar geleden) veel grote kerkengroepen gescheurd in Noord en Zuid, scheuringen die nog altijd bestaan. In de USA, gedeeltelijk ook in Canada, bestaan o.a.:

  • United Reformed Churches met Nederlandse wortels uit de periode 1850-1950;
  • Canadian and American Reformed Churches met Nederlandse wortels van na 1950;
  • Reformed Church of United States met Duitse en vooral Russisch-Duitse wortels;
  • Orthodox Presbyterian Church met Angelsaksische achtergrond;
  • Koreaanse kerken
  • Free Reformed Churches (zusterkerken van CGK)
  • Reformed Congregation (verbonden met GerGem);
  • Heritage Reformed Churches (afsplitsing uit Reformed Congregations)
  • Protestant Reformed Churches (afsplitsing van Christian Reformed Churches; in 19461953 waren contacten met GKv, maar dat leidde tot een breuk waaruit CanRC zijn ontstaan)
  • En nog veel meer.

De jarenlange pogingen tussen CanRC en URC hebben laten zien hoe moeilijk het is twee kerkverbanden met een verschillende cultuur samen te voegen. Moeten, kunnen, mogen wij vanuit Nederland daarover oordelen? Beseffen wij dat in Nederland al voor de Dordtse synode naast de Gereformeerde kerken er ook Waalse kerken waren met grotendeels hun eigen kerkverband?

 

NGB Artikel 29

 

De vraag kan worden toegespitst op NGB artikel 29, dat wij goed moeten onderscheiden tussen ware en valse kerk. Zowel uit de tekst van dit artikel als uit de situatie waarin dit is ontstaan wordt duidelijk dat dit artikel zich richt op de vraag welke keus gemaakt moet worden in het eigen woongebied met concurrerende kerken. Daarbij is het onderscheid waar-vals zinvol. Maar is dit ook goed bruikbaar in een situatie ver weg?

Is ook niet onze praktijk geworden dat we, ook in het buitenland, eerst beoordelen of een kerk(-verband) wel zuiver genoeg is, en dan het etiket ‘waar’ erop plakken?

 

Gezag van de Kerkorde

 

Een bezinning vooraf over plaats en gezag van de Kerkorde (KO) is nodig, omdat bijna alle revisieverzoeken zich ook daarop beroepen. In de revisieverzoeken komt argument voor dat iets in strijd zou zijn met de KO, vooral artikel 60 over toegang tot het avondmaal. Hoe kunnen we de KO hanteren in internationale contacten?

 

De KO geeft zelf een duidelijke relativering aan van zijn eigen belang. In art. 84 staat: “Wanneer dit in het belang van de kerken is, behoren ze [= deze artikelen] gewijzigd, aangevuld of verminderd te worden”. Het belang van de kerken gaat vóór. Dit betekent dat de KO nooit fundamenteel kan zijn. Er staan wel fundamentele dingen in, die rechtstreeks wortelen in Schrift en belijdenis. Die onderwerpen zijn dus niet fundamenteel omdat ze in de KO staan, maar ze staan in de KO omdat ze fundamenteel zijn. De KO is bedoeld om de afspraken binnen ons kerkverband vast te leggen, niet bedoeld als maatstaf voor anderen.  

 

Hierop wijst ook onze KO artikel 47 dat “op ondergeschikte punten van kerkorde en praktijk zullen buitenlandse kerken niet veroordeeld worden. De vraag is wanneer een punt ondergeschikt is. Voor dit rapport geven we hierop een beperkt antwoord: als iets niet vastligt in de grondslag van Schrift en belijdenis, zien we dat als ondergeschikt punt waarop we een buitenlandse kerk niet zullen afwijzen.

 

Omdat de KO geen norm kan zijn buiten ons eigen kerkverband, zullen we in dit rapport niet of nauwelijks ingaan op argumenten die onze KO als norm hanteren.

 

A. Toelating tot avondmaal

Aan de orde gesteld door: Bos-Diff; LRCA-A; dMH-CO dMH-A GKZV-A Sn-A.

 

Korte karakteristiek: Veel buitenlandse kerken kennen niet onze gewoonte van avondmaalsbriefjes. De toegang tot het avondmaal is anders georganiseerd, meestal minder streng dan wij gewend zijn. Soms alleen een vermaning door de voorganger.

 

Bezwaarden citeren met instemming een uitspraak van de CanRC synode 1998: “Dit betekent dat een algemene mondelinge waarschuwing door de voorgaande predikant alleen niet voldoende is en dat een belijdenis van het gereformeerde geloof en attest van een godvrezend leven vereist is. Het ouderlingenambt heeft de verantwoordelijkheid om opzicht te houden op de toelating tot het Avondmaal.” Zij zien als bezwaar dat deze uitspraak in 2001 werd geschrapt.

 

Overwegingen:

  1. Het gebruik van avondmaalsbriefjes ligt niet direct vast in de Schrift of belijdenis. Ook niet in de KO, die wel in art. 60 spreekt over een goed getuigenis, maar in het midden laat hoe dat getuigenis tot stand komt. Er kan zelfs betwijfeld worden of art. 60 bedoelt te spreken over bezoekers van buitenaf.
  2. Indieners wijzen op het gevaar van ontheiligen van de tafel des Heren. Dat heeft goede Bijbelse gronden. Paulus zegt dan ook: “laat ieder mens zichzelf beproeven en laat hij zó eten …” (1 Kor. 11:28). Hier staat duidelijk: “zichzelf beproeven” en Paulus spreekt daarbij niet over een taak voor ouderlingen.  
  3. De OPC kent voor de toelating tot het avondmaal deze regel uit de Westminster Catechismus: “Such as are found to be ignorant or scandalous, notwithstanding their profession of the faith, and desire to come to the Lord’s supper, may and ought to be kept from that sacrament, by the power which Christ hath left in his church, until they receive instruction, and manifest their reformation” (Westminster Larger Catechism, answer 173). Dit is verregaand gelijkwaardig aan onze catechismus.
  4. Verschillen met de OPC gaan niet over wat wij belijden, maar over de vraag hoe daaraan vorm wordt gegeven.
  5. Onze catechismus stelt wel dat de kerk “allen die zich als ongelovigen en goddelozen doen kennen” moet buitensluiten (zd 30, antw 82). Bezwaarmakers willen hier lezen: “alleen toelaten wie zich in voldoende mate als gelovigen doen kennen”, maar dat staat er niet.
  6. De commissie vindt in geen van de ingediende revisieverzoeken een onderbouwing uit Schrift en belijdenis dat de ambtsdragers sterker moeten worden betrokken in het toezicht dan via een ‘algemene mondelinge waarschuwing’.
  7. Bezwaarden constateren terecht dat de CanRC synode van 2001 een zinsnede geschrapt. Het betreft een overeenkomst met de OPC. Bezwaarden confronteren zich er niet mee dat die synode de betreffende overeenkomst met de OPC ook zonder die woorden beoordeelt als “sufficiently reflecting the Reformed Confessions”. Bezwaarden gaan in niet op het geheel van die overeenkomst.
  8. Het is jammer dat deze bezwaarden geen aandacht geven aan de problemen die ontstaan in de Noord-Amerikaanse cultuur als men staat op een avondmaalsbriefje in een kerkelijke omgeving waarin dat onbekend is en niet begrepen wordt.

Conclusie : Er is niet uit Schrift of belijdenis aangetoond dat de genoemde buitenlandse kerken, zoals CanRC, OPC, URCNA, RCUS, onvoldoende toezicht houden op deelname aan het avondmaal. Men kan erover discussiëren of het verstandig zou zijn meer te doen, maar het past ons niet vanaf een grote afstand hierover te oordelen.

 

Geadviseerde uitspraak: De synode spreekt uit dat in de aangevoerde bezwaren geen belemmering wordt gevonden voor een zusterkerkrelatie.

 

B. Binding aan belijdenis van ambtsdragers

Aan de orde gesteld door: LRCA-A dMH-CO Bos-Diff Sn-A

 

Korte karakteristiek: LRCA schrijft: “De OPC bindt haar ambtsdragers en haar leden niet aan de belijdenissen van de kerk. De ambtsdragers zijn slechts gebonden aan een niet nader gedefinieerd systeem van leer, een vage en onbepaalde term, en niet aan alle artikelen en punten zoals aangegeven in het Ondertekeningsformulier in werkelijk gereformeerde kerken”.

 

Overwegingen:

  1. Bezwaarden maken niet duidelijk waar zij deze bewering over OPC aan ontlenen.
  2. Het OPC Book of Church Order vermeldt de volgende vraag bij de bevestiging van ambtsdragers: “Ontvangt en aanvaardt u van harte de Belijdenis des Geloofs en de Catechismussen van deze kerk, als bevattende het systeem van de leer die wordt onderwezen in de Heilige Schrift”.[1]
  3. Ons eigen ondertekeningsformulier stelt: “… dat wij er hartelijk van overtuigd zijn dat de leer van de Drie Formulieren van eenheid […] in alle delen geheel met Gods Woord overeenstemmen.
  4. Vergelijking van de teksten van OPC en onszelf laat zien dat de OPC meer eist dan wij: wij vragen alleen overeenstemming met de leer van de belijdenissen, de OPC met de belijdenissen zelf. Zo bezien is er meer aanleiding voor de OPC om over ons te klagen dat “de leer van” een vage en onbepaalde term is[2].
  5. Bij al het goeds dat men kan zeggen over ons hanteren van belijdenissen en ondertekeningsformulier, moeten we ons blijven realiseren dat dit niet rechtstreeks op de Bijbel teruggaat, maar een goede gewoonte is die we echter niet mogen gebruiken als norm voor het beoordelen van andere kerken met een andere achtergrond.

Concluderend advies: Dit bezwaar kan om twee afzonderlijke redenen worden afgewezen: (1) het doet geen recht aan de kerkorde en praktijk van de OPC; (2) het heeft onvoldoende fundament in Schrift en belijdenis.

 

Geadviseerde uitspraak: De synode spreekt uit dat in de aangevoerde bezwaren geen belemmering wordt gevonden voor een zusterkerkrelatie.

 

C. Binding aan belijdenis van gemeenteleden

Aan de orde gesteld door: LRCA-A Bos-Diff dMH-CO dMH-A Sn-A  

 

Korte karakteristiek: LRCA schrijft: “De OPC bindt … haar leden niet aan de belijdenissen van de kerk” en “De OPC laat baptisten en anderen die niet instemmen met de belijdenis van de kerk toe tot het lidmaatschap en tot het Heilig Avondmaal, zoals blijkt uit het OPC Report of the Committee to Study the Method of Admission to the Lord's Supper.

 

Overwegingen:

  1. Deze bewering wordt niet onderbouwd. LRCA verwijst wel naar een OPC rapport, maar dat is niet te vinden via de meegeleverde link, want die verwijst naar een rapport uit CanRC. (Google vindt wel een rapport met de aangegeven titel, maar dat is afkomstig uit de PCA).
  2. In Nederland kennen de GK al een eeuw lang een regeling die ook mogelijk maakt dat zij die bezwaar hebben tegen de kinderdoop deelnemen aan het avondmaal (’sGravenhage 1914, art. 138).
  3. Ook in Nederland bestaat discussie over de vraag in hoeverre bij de openbare geloofsbelijdenis instemming wordt gevraagd met het geheel van de belijdenis.
  4. De synode van ’s-Gravenhage 1914, art. 138 sprak met reden uit “dat onze gereformeerde kerken steeds hebben geoordeeld, dat naar het voorbeeld van de apostolische kerk tolerantie kan worden geoefend jegens broeders die te goeder trouw in enig stuk van de leer dwalen”. Bezwaarden maken op geen enkele wijze duidelijk dat de OPC hierbij een onschriftuurlijk-grote tolerantie beoefent.
  5. Bij al het goeds dat men kan zeggen over ons hanteren van belijdenissen, moeten we ons blijven realiseren dat dit niet rechtstreeks op de Bijbel teruggaat, maar een goede gewoonte is dit we echter niet mogen gebruiken als norm om andere kerken of gelovigen met een andere achtergrond te beoordelen.

Concluderend advies: Dit bezwaar tegen onvoldoende binding aan de belijdenis is (1) ongedocumenteerd en (2) niet voldoende gefundeerd in Schrift en belijdenis.

 

Geadviseerde uitspraak: De synode spreekt uit dat in de aangevoerde bezwaren geen belemmering wordt gevonden voor een zusterkerkrelatie.

 

Opmerking: dM/H-CO citeren in vertaling een tekst van de OPC website waaruit zou blijken dat de OPC een minibelijdenis hanteert: “Als ze hun hoop maar op Christus stellen om hun te redden van hun zonden, hebben we ruimte om te beginnen vorm te geven aan onze eenheid van het geloof in de band van de vrede”. Raadpleging van de oorspronkelijke Engelse tekst levert op: “If they have their hope in Christ to save them from their sins, we have a place to start in building our unity of the faith in the bond of peace (Eph. 4:1ff).”. De OPC spreekt slechts over “a place to start building”, “een plek om te beginnen met bouwen aan”. Dat is iets heel anders dan het definiëren van een minibelijdenis.

 

D. Toelaten predikanten uit andere kerkverbanden

Aan de orde gesteld door: LRCA-A dM/H-CO Bos-Diff

 

Korte karakteristiek:

Eigenlijk gaat dit over twee verschillende punten:  

  1. Door afspraken van CanRC met OPC, URC, RCUS en ERQ mogen predikanten worden uitgewisseld. De bezwaarden hebben echter niet aangetoond dat predikanten in die kerkverbanden niet zouden zijn gebonden aan de gereformeerde leer (zie het punt Binding aan de belijdenis van ambtsdrager).
  2. Een aanpassing door CanRC van hun art. 50 KO over omgang met andere kerken. Deze aanpassing maakt ruimte voor plaatselijk nauwe contacten met andere kerken, maar onder goedkeuring van de classis.

In het vervolg gaan we alleen in op punt b.

 

Overwegingen:

  1. Deze aanpassing van de KO geeft ruimte voor plaatselijk maatwerk, iets waaraan blijkbaar behoefte bestaat in het gevarieerde kerkelijk landschap van Noord-Amerika.
  2. Er blijft toezicht vanuit het kerkverband, namelijk via de classis. Dat lijkt een gepaste vorm, gezien de beoogde afstemming op een plaatselijke situatie.
  3. Uit niets blijkt dat de classis bij hun instemming en toezicht kan of wil gaan buiten de grenzen die wij als gereformeerde kerken gewend zijn, zoals gezonde binding aan de Bijbelse leer.

Conclusie: Bezwaarden tonen niet aan dat de CanRC predikanten van elders toelaat zonder toezicht op of binding aan de Bijbelse leer.

 

Geadviseerde uitspraak: De synode spreekt uit dat in de aangevoerde bezwaren geen belemmering wordt gevonden voor een zusterkerkrelatie.

 

E. Zichtbare en onzichtbare kerk

Aan de orde gesteld door: dMH-A dMH-CO

 

Korte karakteristiek: “De indelingen van de RCUS in zichtbare en onzichtbare kerk enerzijds en n zuivere en minder zuivere kerken anderzijds, worden ontleend aan de kerkleer van de Westminster Standards, en toegepast op de diverse denominaties in één land. Deze leer is niet in overeenstemming met NGB, art. 27-29 en HC, zondag 21.”

 

Overwegingen:

  1. Bavinck geeft in zijn dogmatiek al aan dat het begrip ‘onzichtbare kerk’ op veel verschillende manieren wordt gebruikt. De vraag is hoe de Westminster belijdenis die gebruikt, en die vraag wordt niet besproken door bezwaarden.
  2. De Bijbel zelf spreekt al op verschillende manieren over ‘kerk’ of ‘gemeente’. In Matt. 16:18 spreekt Christus in het enkelvoud: “Mijn gemeente bouwen, en de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen”. In Openbaring 2 en 3 spreekt Hij over gemeenten in het meervoud, en dreigt Hij zelfs de kandelaar weg te nemen.
  3. In onze eigen belijdenissen wordt al op verschillende wijzen over de kerk gesproken. HC zd 21 gaat vooral over die ene wereldwijde gemeente van Matt. 16; NGB art 28 en 29 vooral over de plaatselijke kerk.
  4. Hoewel wij deze twee begrippen kerk zeker niet mogen scheiden van elkaar, is een goed onderscheiden toegestaan. Voor dit onderscheid gebruikt de Westminster Confessie de termen zichtbaar en onzichtbaar.
  5. Het bezwaarschrift verwijst naar een rapport van de RCUS. In dit rapport wordt eerst gewezen op de noodzaak de ware kerk te onderscheiden, waarbij NGB art 27-29 wordt geciteerd. Daarna pas, binnen dit kader, worden twee aspecten van de kerk genoemd: de onzichtbaarheid en zichtbaarheid.
  6. Bezwaarden maken niet duidelijk dat het onderscheid dat het RCUS rapport of de Westminster Confessie maakt, leidt tot onschriftuurlijke consequenties.
  7. Het is bekend dat Abraham Kuijper dit onderscheid op een verkeerde manier heeft gebruikt, maar dat bewijst nog niets over de Westminster Confessie die eeuwen ouder is.

Conclusie:

Op dit onderdeel zijn geen steekhoudende argumenten tegen de Westminster of RCUS ingebracht.  

 

Geadviseerde uitspraak: De synode spreekt uit dat in de aangevoerde bezwaren geen belemmering wordt gevonden voor een zusterkerkrelatie.

 

F. Zuivere en minder zuivere kerken

Aan de orde gesteld door: dMH-CO  

 

Korte karakteristiek: “De indelingen van de RCUS in zichtbare en onzichtbare kerk enerzijds en zuivere en minder zuivere kerken anderzijds, worden ontleend aan de kerkleer van de Westminster Standards, en toegepast op de diverse denominaties in één land. Deze leer is niet in overeenstemming met NGB, art. 27-29 en HC, zondag 21.”

 

Overwegingen: 

  1. De Westminster Confessie verwijst bij zijn uitspraak over zuivere en minder zuivere kerken naar Openbaring 2 en 3. In de zeven brieven die Christus daar schrijft zie je dat de ene plaatselijke gemeente veel zuiverder is dan de ander, en dat Christus dat ook aanwijst.
  2. Bezwaarden geven niet aan op welke manier de Westminster botst met NGB 27-29 of HC zd 21.
  3. De Westminster betrekt het onderscheid zuiver of onzuiver niet op de gemeente (enkelvoud) die Christus van begin tot eind van de wereld vergadert, maar op de plaatselijke gemeente zoals die concreet is aan te wijzen (hfdst 26 art 4 en 5).
  4. Het is niet duidelijk of bezwaarden beseffen dat het onderscheid zuiver-onzuiver een ander onderscheid is dan het waar-vals van NGB art 29. Ter verduidelijking enkele voorbeelden:
  1. De vraag of een bankbiljet is beschadigd gaat over iets heel anders dan de vraag of het een vals biljet is.
  2. In Openbaring 2-3 schrijft Christus al die kerken aan als zijn kerken, ze zijn dus ware kerken, maar tegelijk zijn sommige daarvan erg onzuiver geworden.
  3. Toen de ware kerk in de 4e eeuw de ketter Arius afwees, en in de 17e eeuw de Remonstranten buiten de deur zette, bleef de kerk gewoon ware kerk, maar werd wel zuiverder.

Concluderend advies:

Bezwaarden hebben niet aangetoond dat het spreken over zuivere en onzuivere kerken, hoewel dat in onze belijdenissen zo niet voorkomt, in strijd komt met de leer van de Schrift of onze belijdenissen.  

 

Geadviseerde uitspraak: De synode spreekt uit dat in de aangevoerde bezwaren geen belemmering wordt gevonden voor een zusterkerkrelatie.

 

G. Onderscheid tussen dopelingen

Aan de orde gesteld door: LRCA-A

 

Korte karakteristiek: Gesteld wordt: “De URCs handhaven onschriftuurlijke pastorale adviezen door te verwerpen wat wij handhaven, namelijk: ‘dat alle gedoopte personen op precies dezelfde wijze in het genadeverbond zijn, zodat er geen onderscheid is tussen hen die slechts een uiterlijke betrekking tot het genadeverbond hebben door de doop en hen die alleen door genade door het geloof verenigd zijn (HC 21, 60; NGB 29)’ (zie Pastoral Advice on Justification, Synode Schererville 2007 https://www.urcna.org/urcna/Pastoral%20Advice/Justification%202007.pdf)”.  

 

Overwegingen:

  1. De gewraakte passage is in zichzelf onduidelijk. Enerzijds stelt die “geen onderscheid”, anderzijds gebruikt die wel twee verschillende aanduidingen. Hoe kan men verschillende aanduidingen gebruiken als er geen onderscheid is? De enige mogelijkheid lijkt te zijn dan bedoeld wordt dat in een bepaald opzicht geen onderscheid is, maar vanuit een andere invalshoek wel.
  2. Het lijkt erop dat de LRCA deze passage leest tegen de achtergrond van de vrijmakingsdiscussies over veronderstelde wedergeboorte. In dat geval lijkt een protest op zijn plaats. Maar is dit wel de context?  
  3. Deze passage is de zesde uitspraak in een reeks van negen, allen gericht tegen de zgn. Federal Vision, ook bekend als Auburn Theology.  
    Volgens Wikipedia leert de Federal Vision o.a.: “a distinction in election: there are the decreed elect (that precise number God intends to save and who will persevere in their faith) and the covenantally elect (those who are predestined to be a follower of Jesus for a time, but are not predestined to persevere in their faith and who will eventually fall away)”. In het licht van dit onderscheid leest het pastoral advice van de URC heel anders.
  4. De volgende URC synode (2010) heeft dit toegelicht richting de CanRC, en erop gewezen dat punt 6 moet worden gelezen in het licht van punt 5: “It should be read in the context of Point 5 which rejects the error that a person can be historically, conditionally elect, regenerated, savingly united to Christ, justified, and adopted by virtue of participation in the outward administration of the covenant of grace but may lose these benefits through lack of covenantal faithfulness” 
    (https://www.urcna.org/1651/downloadFile?type=pubs&id=20723&index=1). Bezwaarden hebben zich niet geconfronteerd met deze toelichting.

Concluderend advies:

Het genoemde bezwaar is slecht onderbouwd en doet geen recht aan de context waarbinnen de URC dit uitsprak en ook niet aan de latere toelichting van de URC.  

 

Geadviseerde uitspraak: De synode spreekt uit dat in de aangevoerde bezwaren geen belemmering wordt gevonden voor een zusterkerkrelatie.

 

H. Geen catechisatie?

Aan de orde gesteld door: dMH-CO

 

Korte karakteristiek: “Volgens een verklaring van NAPARC kennen alle zes Presbyteriaanse kerken voor hun eigen leden geen verplichte catechisaties” (dMH-CO p. 5).  

 

Overwegingen:

  1. Er is één bron voor deze bewering, en het is onduidelijk wat die bron is. Is deze klacht wel ontvankelijk naar 1 Tim.5:19?
  2. NAPARC is niet bedoeld of gemachtigd om namens de aangesloten kerken te spreken. Dus al zou iets of iemand in NAPARC dit verklaren, dan heeft het geen gezag.
  3. Dit bezwaar gaat over ‘verplichte catechisaties’. In de Bijbel komt dit niet voor; in het OT lag de primaire taak van onderwijs bij de ouders. Catechisaties kwamen pas op na de NT-sche tijd. Wij mogen deze gegroeide gewoonte, hoe zinvol ook, niet hanteren als maatstaf voor het beoordelen van buitenlandse kerken. Als was gevraagd of deze kerken verantwoordelijkheid tonen voor geloofsonderricht aan de jeugd, was dat een zinvollere vraag geweest - maar zou het antwoord ook anders luiden.
  4. Bij wijze van belangrijke steekproef: de kerkorde van de OPC (Directory of Worship) bevat dit voorschrift: “An adult who seeks to be baptized shall make a public profession of his faith before the congregation prior to the baptism. He shall previously have received instruction in the Christian faith in accordance with the confessional standards of this Church, including instruction as to the meaning of baptism” [Een volwassene die zich wil laten dopen, moet zijn geloof publiekelijk belijden vóór de gemeente vóór de doop plaatsvindt. Hij moet daaraan voorafgaand  onderwijs hebben ontvangen in het christelijk geloof volgens de belijdenissen van deze Kerk, inclusief instructies over de betekenis van de doop] (III.B.2, p.147). De OPC kent deze verplichting dus wel voor hen die van buitenaf komen. (cursivering door ons).
  5. Voor doopleden die belijdenis willen doen verlangt de OPC “having given evidence of conscious saving faith in Christ” [“nadat is gebleken dat zij een bewust reddend geloof in Christus hebben”] (Directory for Worship IV.B.1, p. 157). Er wordt geen specifieke weg hiervoor (catechisatie) genoemd, maar wel een resultaat vereist.

Conclusie: De aangevoerde klacht wordt te weinig onderbouwd en blijkt in strijd met de gevonden regeling van de OPC.

 

Geadviseerde uitspraak: De synode spreekt uit dat in de aangevoerde bezwaren geen belemmering wordt gevonden voor een zusterkerkrelatie.

 

I. Pluriformiteit van de kerk

Aan de orde gesteld door: dMH-CO GKZV-A Sn-A LRCA-A dMH-A  

 

Korte karakteristiek: “De praktijk van de pluriformiteit zoals ecclesiastical fellowship of zusterkerkrelatie binnen dezelfde regio, voldoet daar niet aan”, d.w.z. aan “alleen door eenwording krijgt plaatselijk, regionaal en landelijk echte eenheid in de waarheid gestalte”.

 

De indieners trekken deze eenheid door tot aan één kerkverband, “de weldaden van kerkregering volgens de vastgestelde kerkorde, waarbij de kerken ook op elkaar toezien en elkaar helpen”. Zij verwijzen daarbij naar de eenheid waarvoor Christus bidt in het hogepriesterlijk gebed (Joh 17), en naar “het ene Huisgezin van Efeziërs 2 en 4, zoals is samengevat in art. 28 NGB”.  

 

Als deze institutionele eenheid er niet is, ontbreekt volgens “goede onderlinge tucht en opbouw” waardoor “ruimte [wordt] gelaten voor afwijking van de leer (onzuiverheid) en wordt de vereiste opzicht en tucht bij de avondmaalsviering nagelaten”.

 

Overwegingen:

  1. Het begrip ‘pluriformiteit’ kent diverse invullingen. Enerzijds, wie door de wereld reist in kerken in andere landen bezoekt, zie geen uniformiteit maar grote diversiteit ofwel pluriformiteit. Anderzijds is datzelfde begrip pluriformiteit door Abraham Kuijper gebruikt om op een ongezonde manier om te gaan met kerkelijke verdeeldheid.
    Tussen deze uitersten kunnen ook tussenvormen bestaan.
    Het lijkt erop dat bezwaarden het begrip pluriformiteit gebruiken als een vorm van afkeuring, zonder zich nauwkeurig rekenschap te geven van de mogelijke betekenissen.
  2. De Bijbelse eenheid is primair geestelijk: één geloof, één Here, één doop. De Bijbel geeft geen rechtstreeks voorschrift om hieraan vorm te geven door middel van één regionaal kerkverband en één kerkorde.  
  3. We kunnen met bezwaarden instemmen over de wenselijkheid van zo’n institutionele eenheid. Echter in deze zondige wereld werken beperkingen van allerlei aard als hindernissen. Dat kerken leven met zulk gescheiden optrekken, soms vele jaren lang, is op zichzelf geen grond te spreken over dwaalleer of een tekort aan oecumenisch streven.  
  4. Ook in het Nederland van rond de Dordtse Synode kende meerdere ware kerken in één stad. De oorspronkelijke KO van Dordrecht regelde namelijk ook de omgang met de Waalse kerken.
  5. Wij kunnen vanuit Nederland moeilijk een oordeel uitspreken over de lokale Amerikaanse en Canadese situaties waarin kerken vanuit heel diverse achtergrond en geschiedenis elkaar herkennen en beginnen samen te werken. Evenmin kunnen we beoordelen of een buitenlandse kerk hierbij de juiste prioriteit hanteert.
    Wel mogen wij vanuit onze eigen geschiedenis er begrip voor opbrengen dat we hier te maken hebben met een heel moeizaam proces van lange adem.
  6. Bezwaarden hebben niet duidelijk gemaakt dat de betrokken kerkverbanden laks zijn in de mate waarin zij nu al proberen vorm te geven aan eenheid, inclusief opzicht en tucht, binnen de mogelijkheden die zij nu hebben.
  7. LRCA verwijst naar een rapport van RCUS van 7 pagina’s, zonder precisering tegen welke passage(s) hun kritiek zich richt. Het rapport probeert de inhoud van HC en NGB toe te passen op de veelvormigheid van de Amerikaanse werkelijkheid, daarbij ook gebruikmakend van de Westminster confessie.  Omdat niet duidelijk is tegen welk deel het bezwaar is gericht, heeft de commissie dit rapport niet verder geëvalueerd.

Conclusie: In de revisieverzoeken is niet aangetoond dat de kerkverbanden waartegen bezwaren zijn ingebracht (CanRC, OPC, RCUS, URC en ERQ) omgaan met de institutionele gescheidenheid in een veelvormige werkelijkheid, op een manier die botst met het Bijbelse gebod tot eenheid.  

 

Geadviseerde uitspraak: De synode spreekt uit dat in de aangevoerde bezwaren geen belemmering wordt gevonden voor een zusterkerkrelatie.

 

J NAPARC

Aan de orde gesteld door: dMH-CO dMH-A LRCA-A

 

Korte karakteristiek: NAPARC is de North American Presbyterian and Reformed Council. Dertien verschillende kerkverbanden zijn daarvan lid, allen met de Westminster Standards of de Drie Formulieren van Eenheid als grondslag.

De bewering is: “Al deze kerken hebben elkaar - volgens de regels van het lidmaatschap van NAPARC, erkend als ware kerken van Christus”. En: “Ook leden van kerken, aangesloten bij NAPARC of ICRC die geen zusterkerk zijn van de CanRC, mogen deelnemen aan het avondmaal in de CanRC”.

LRCA-A schrijft over CanRC: “lidmaatschap van de ICRC en van NAPARC, waarbij de CanRC zonder nader onderzoek als ware kerken aanvaardt degenen die lid zijn van deze organisaties, zonder dat zij daadwerkelijk zusterkerken zijn”.

 

Opmerking. dMH-CO stellen ook dat CanRC nieuw vastgestelde richtlijnen heeft die onder andere omvatten “de mogelijkheid voor leden van binnenlandse zusterkerken

(EF, ecclesiastical fellowship) of leden van binnenlandse kerken die lid zijn van NAPARC en ICRC om deel te nemen aan het heilig avondmaal, evenals de mogelijkheid voor predikanten om de eredienst in CanRC-kerken te leiden”. Zij wijzen hierin naar de besluiten van de meest recente CanRC synode (Aldergrove 2025 art 73). Onze synode heeft een afschrift van dit artikel ontvangen, en daaruit blijkt dat deze toelating alleen kan met expliciete goedkeuring van synode of classis.  

 

Overwegingen:

  1. Deze beweringen over erkenning en toegang tot avondmaal vinden geen enkele grond in de statuten of regels van NAPARC.
  2. LRCA-A verwijst naar een Comity Agreement (Overeenstemming over een gouden regel van hoffelijkheid) waarin de leden NAPARC wordt verzocht om - kort gezegd “gevoelig te zijn voor de aanwezigheid van bestaande kerken en kerkplantingen” en niet zomaar een evangelisatie actie te starten waar de anderen al zijn. Van enige erkenning als ware kerk is geen sprake.
  3. De richtlijnen die CanRC in hun laatste synode heeft vastgesteld laten zien dat van zo’n algemene toelating geen sprake, maar dat dit alleen kan na expliciete goedkeuring door synode of classis.

 

Conclusie: Deze bewering van appellanten is ongegrond en onjuist. Deze moet worden afgewezen.

 

Geadviseerde uitspraak: De synode spreekt uit dat in de aangevoerde bezwaren geen belemmering wordt gevonden voor een zusterkerkrelatie.

 

Samenvatting en conclusie

 

De Bezwaarschriften proberen op diverse manieren duidelijk te maken dat CanRC, OPC, URC en RCUS op ernstige manieren dwalen, en dat om die reden daarmee geen contact onderhouden zou moeten worden:

 

Analyse van de bezwaren leidt tot de volgende conclusies:

  1. Sommige bezwaren berusten op ongedocumenteerde beweringen of onjuiste informatie;
  2. Andere bezwaren zien conflicten met Bijbel en onze belijdenissen waar die niet zijn, het zijn vooral conflicten met onze KO of traditie;
  3. Andere bezwaren stellen eisen aan deze buitenlandse kerken die we redelijkerwijs niet kunnen stellen of waarover wij niet kunnen oordelen.

Geadviseerde uitspraak: De synode spreekt uit dat in de besproken bezwaren, zoals de zeven appelschriften of revisieverzoeken die noemen, geen belemmering wordt gevonden voor een zusterkerkrelatie.

 

Opgesteld door Commissie 3

P. Drost

G. den Dulk

A. Jongeneel

S. Oole

J.P.C. Vreugdenhil

 

Bijlage:

Gedeelte uit Acta URC 2010, p. 250-251

Another significant issue has to do with the standing of the Nine Points against the teachings of the Federal Vision, and their meaning. Of particular concern is Point 6: Synod rejects the error of those who teach that all baptized persons are in the covenant of grace in precisely the same way such that there is no distinction between those who have only an outward relation to the covenant of grace by baptism and those who are united to Christ by grace alone through faith alone (HC Q&A 21, 60; BC 29). Read against the background of the Liberation in 1944, these words appear to some to be a direct assault on views of the covenant prevalent among the Canadian Reformed. In the con text of 1944, ministers were placed under suspension for rejecting the view of Abraham Kuyper who taught that the covenant of God is made only with the elect, presumed to be regenerate at baptism; the non-elect do not truly receive baptism and the promises of God. Some taught that there are two different covenants - an internal covenant for the elect, and an external covenant for the non-elect. Many in the Reformed Churches in the Netherlands protested these teachings of Kuyper. The Liberated churches emphasized that there is one covenant of grace, and all believers and their children are brought into that covenant through baptism, truly receiving the promises of God’s covenant in Christ Jesus as well as its obligations to live in faith and obedience. The elect, like Jacob, are given the Spirit to respond in faith and to enter into the personal possession of what has been granted in promise. The non-elect, like Esau, are covenant-breakers who reject the promises and obligations of God’s covenant.  

Your committee responded by saying that Synod Schererville addresses the proponents of Federal Vision who speak as though in baptism a person is granted every spiritual gift, including saving faith, the grace of conversion and justification. The statements were made to uphold the doctrine that a man is justified through faith alone and God will never reverse His gracious declaration concerning the believing sinner. Point 6 of the Nine Statements of Schererville does not deny that all baptized persons are in the covenant of grace. What Point 6 denies is that all baptized persons are in the covenant in precisely the same way such that no distinction is made between those who have the promises by covenant and those who receive by faith what is promised. It should be read in the context of Point 5 which rejects the error that a person can be historically, conditionally elect, regenerated, savingly united to Christ, justified, and adopted by virtue of participation in the outward administration of the covenant of grace but may lose these benefits through lack of covenantal faithfulness.  


 

NOTEN


[1] “Do you sincerely receive and adopt the Confession of Faith and Catechisms of this Church, as containing the system of doctrine taught in the Holy Scriptures?” Book of Church Order  XXI,8 XXII,13 XXIII,8 XXIII,12 XXIII,14 XXIII,17 XXV,6.

[2] Sinds begin 18e eeuw kennen Amerikaanse Presbyteriaanse kerken wel een gewoonte om te binden aan alleen essentials, of om exceptions and ‘scruples’ toe te staan (onder goedkeuring door de presbytery). Maar juist de OPC doet daar niet aan mee.