Ethiek

Rond de Schrift

Nieuwe artikelen
Signalen



Aanmelden GRATIS nieuwsbrief

Naam:
E-mail:



printen

mailen

Licht voor de volken

Inleiding Bondsdag dd. Zaterdag 18 april 2026, Dalfsen

 

Ds. C. (Corneel) Koster

 

“Wat doen jullie aan evangelisatie? Wat doe jij aan evangelisatie?” Krijgt u die vraag wel eens? Ik wel, best geregeld. En tot mijn schaamte moet ik dan zeggen: nog niet zo veel. Er zijn wel wat initiatieven, zeg ik dan, opgelucht dat ik iets kan noemen. We hebben een deputaatschap. Plaatselijk zijn er wel commissies, met mooie ideeën. Maar verder toch niet zo heel erg veel. Toch?

 

Er zijn allerlei redenen te noemen waarom dat zo is. In tijden van kerkstrijd en kerkopbouw is evangelisatie snel een onderschoven kindje. We hebben kleine kracht. Er moet al zoveel gebeuren. Maar toch, echte redenen zijn het niet. Eerder smoesjes. Vind ik.

 

Ik ben dan ook blij met deze dag. Om samen bij dit onderwerp stil te staan. Het is goed om daar samen over na te denken. Wat doen wij eigenlijk aan evangelisatie? En – wat kunnen we meer doen aan evangelisatie?

 

Maar daar wil ik niet bij beginnen. Als je je richt op wat je wilt doen of moet doen – is het beter om eerst terug te gaan naar de vraag: waarom wil ik het doen. Anders hou je het niet vol. Je kan wel met enthousiasme starten. Maar juist bij evangelisatie heb je uithoudingsvermogen nodig. Geduld. Geloof. En juist daarom is het belangrijk om eerst deze vraag te stellen: waarom doen we aan evangelisatie? Wat is de reden dat u wil evangeliseren? Wat is jouw motivatie om van je geloof te getuigen naar de mensen om je heen?

 

Of andersom – als je het niet doet, maar wel weet dat je het moet doen: waarom voelt dat als tekortschieten voor je? Waarin voel je je falen? Wat is de oorzaak dat je eigenlijk vindt dat je wél zou moeten getuigen?

 

Het meest voor de hand liggend antwoord is dan: het zendingsbevel. Mattheus 28, daar ontmoeten we Jezus – die tot zijn discpelen en ons die beroemde en heerlijke woorden uitspreekt (Mattheüs 28:18-20): “En Jezus kwam naar hen toe, sprak met hen en zei: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.  Ga dan heen, onderwijs al de volken, hen dopend in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, hun lerend alles wat Ik u geboden heb, in acht te nemen.  En zie, Ik ben met u al de dagen, tot de voleinding van de wereld. Amen.”

 

En deze tekst is ook enorm belangrijk. Hoe de grote Overwinnaar als Koning van hemel en aarde daar staat. Hij is door de dood heen gegaan, heeft op ongekende wijze zijn liefde getoond, tot in de dood. Hij heeft geleden de straf, gedragen de vloek. Hij heeft alles doorstaan. En nu, als Almachtige Koning geeft Hij bevel aan zijn discipelen en zijn kerk: ga heen, ga de grenzen over, bereik anderen met het evangelie. Heel concreet betekent dat voor ons: doe aan zending. Steun met gebed en middelen het werk ten dienste aan de zending. En nog concreter: ga ook je eigen grenzen over. Op jouw plek, spreek, getuig van het geloof dat in je is. Deel de hoop die jij mag hebben aan anderen, in gehoorzaamheid aan de grote Koning.

 

Toch zou je dan haast de indruk kunnen krijgen, dat zending en evangelisatie pas begint bij het NT. Pas na de dood en opstanding van de Heere Jezus. En dat daarvoor de opdracht om uit te gaan nog helemaal niet aanwezig was. Dat het iets nieuws is, wat bij het nieuwe verbond is gekomen. Belangrijk punt in mijn bijdrage vandaag is dat dat een misverstand is. Zending en evangelisatie begint niet pas bij het NT, na de opstanding van onze geliefde Heiland. Maar ik ga het nog gekker zeggen. De roeping om uit te gaan tot anderen begint ook niet pas in het OT. Want het is niet zo dat de Heere op een gegeven moment zegt – nu heb ik Israël geroepen en verlost. Nu zetten we stap twee, nu gaan we de andere volken bereiken. Nee. Zo is het niet. Maar, wanneer begint de roeping om andere te bereiken dan wel?

 

Eigenlijk moeten we het iets anders zeggen. Niet wanneer begint die roeping. Maar bij Wie begint die roeping. Die roeping begint niet bij ons. En niet bij een gegeven moment dat God ons een taak geeft. Nee, die roeping begint bij wie God zelf is. Bij de identiteit van God zelf. En waarin Hij zich dan vervolgens openbaart in zijn grote daden. De drang tot missie, zo wordt het vandaag genoemd, begint in God zelf. Hij is de God van missie. Zending en evangelisatie is niet ons werk. Het is het werk van de Heere zelf. Hij is daarmee bezig. En Hij is daarbij aan zet, helemaal. En zeker – daarbij schakelt Hij ons ook in. En geeft Hij ons dan taken, plichten, roeping en gaven. Maar daar begint het niet. Het begint in en bij God zelf.

 

Die eerste vraag van het begin: “Wat doen jullie aan evangelisatie” zou ik daarom graag willen ombuigen. De eerste en meest belangrijke vraag moet niet zijn: wat doen wij aan evangelisatie? De eerste en meest belangrijke vraag moet zijn: wat doet God aan evangelisatie. Het is zijn verlangen, en zijn Zijn daden, dus hoe is Hij daarmee bezig. En als de Heere daarmee bezig is – waar en hoe mogen wij daar dan bij aansluiten? Hoe mogen wij Hem daarin dienen? Hoe kunnen wij ook in dat opzicht naar Gods beeld gelijk gemaakt worden en op Hem lijken, zodat wij ook bezig zijn met zending en evangelisatie.

 

De belangrijke vraag wordt dus: lijken wij op God? Zijn wij Gods beelddragers? Vertegenwoordigen wij de Heere op aarde, zoals Hij is? Natuurlijk – wij kunnen niet overal zijn. Wij kunnen niet in alle landen vertegenwoordigd zijn. Maar zijn wij wel trouw met wat de Heere ons gegeven heeft? Lijken we in ons gebed, in ons verlangen en in ons gedrag op dat wat God verlangt en hoe God doet?

 

Wat doet God dan? Wie is God dan? Laten we daar samen eens over nadenken.

 

Allereerst: dit boek kennen we. De Bijbel. Wat is de Bijbel? Een set aan geloofsovertuigingen, een soort geloofsbelijdenis met allemaal artikelen die we moeten geloven? Nee. Is het een handboek waarin staat hoe we moeten leven? Ook niet. Is het een geschiedenisboek, waarin verhalen worden verteld van vroeger - u begrijpt: ook niet. Nee, volgens mij kunnen we gerust zeggen: dit boek is een product van Gods werk aan zending. De vijf boeken van Mozes, de profeten, de geschiedenis van God met zijn volk – het is allemaal het gevolg van Gods ingrijpen. Van de wil die God had en heeft om verlossend aanwezig te zijn in deze gevallen wereld, tot redding van ieder die in Hem gelooft. De beschrijving van het leven van Jezus op aarde net zo – dat komt voort uit Gods drijfkracht om te redden. De geschiedenisbeschrijving van Handelingen, dat is Gods werk om zijn Woord de wereld over te laten gaan. De brieven van Paulus aan de gemeenten, het zijn brieven die voortkomen uit zijn zendingswerk. Om Joden en heidenen te roepen tot het geloof in de Heere Jezus. En hen te helpen om dat spoor achter Christus aan te volgen. Heel de Bijbel is één groot zendingsboek.

 

Wat betekent dat dan voor ons? Als je de Bijbel leest – product van zending. Verdiept toch je verwondering – als Heere niet verlangen had om uit te gaan tot zondige wereld, gevallen mensen te roepen, zondige mensen redden. Dan wás er helemaal geen Bijbel. Zeggen wel: Bijbel is Gods liefdesbrief aan ons mensen. Is ook écht zo: gevolg van intense liefde van God, die zich ontfermt. En daarom sprak. Tot Adam en Eva na de val. Tot Kaïn, waar is uw broeder. Tot Abraham, ga naar het land dat Ik u wijzen zal. En zo, op elke bladzijde van het heerlijke woord van God. Bedenk maar vanmiddag, vanavond, als je de Bijbel pakt en gedeelte leest: God had ook niet kunnen spreken. Ons laten zitten, in zonde, duisternis, schuld en oordeel. Dan kon ik dit niet lezen. Elke letter is gevolg van drive van God – mensen redden. Want zijn wereld, geschapen tot zijn eer. Die had Hij kunnen laten gaan. Maar wilde het niet. Hij zocht de eer van zijn Naam. Onze hulp is in de Naam van de HEERE die hemel en aarde gemaakt heeft. Hij laat niet varen het werk van zijn handen. Hij houdt trouw tot in eeuwigheid!

 

Dat is eerste – Bijbel alleen al  is gevolg van het feit dat God missionair bewogen is met gevallen wereld. Hij wil ons mensen redden, tot eer van zijn naam.

 

Als we dan wat verder inzoomen naar het OT, dan zien we dat de HEERE zich eerst vooral beperkt tot het volk Israël. Dat volk is uit alle volken het uitverkoren volk, om Gods volk te mogen zijn. Dat is natuurlijk een enorm voorrecht, ongekend. Maar tegelijk geeft dat ook grote verantwoordelijkheid. Ook ongekend. En wat ik daarbij als tweede in deze lezing wil benadrukken: ook al beperkt God zich tijdelijk tot Israël, nog steeds heeft God de wéreld op het oog.

 

En het is belangrijk om dat te zien. Wat ik in begin al noemde: missionair betrokken zijn bij de wereld begint niet bij opstanding of hemelvaart van Jezus of na Pinksteren. Nee, de missionaire betrokkenheid is aanwezig in God zelf. Het tekent wie God is. Heel de Bijbel door, vanaf Genesis tot Openbaring. En het is ook aanwezig in het OT, ook al beperkt God zich tijdelijk vooral tot zijn uitverkoren en geliefd volk Israël.

 

Graag wil ik dit op verschillende manieren duidelijk maken – bladert u gerust mee in dit Boek van Gods zendingswerk in deze wereld.

 

Eerste tekst die ik wil noemen is Genesis 12 – bekend maar niet minder mooi. Vers 1: Abraham wordt geroepen, weg uit Ur der Chaldeeën, naar land wat HEERE zal wijzen. Hij wordt apart gezet, de HEERE gaat met deze Abraham bijzondere weg. In vers 2 volgt de belofte: deze Abram zal Abraham worden: groot volk. En dan in vers 3 is meteen al de wereld op het oog. Dus op datzelfde moment dat de HEERE zijn versmalling begint, noemt Hij ook: het is tijdelijk. En ook: het is een middel, met als doel om de wéreld te bereiken. Want vers 3: in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden. De zegen van God aan Abraham is een middel, instrument in Gods hand, om die zegen via Abraham weer uit te breiden naar alle volken.

 

In vers 3 staat dat met twee kenmerkende woorden: HEERE zegt tegen Abraham: Ik zal u zegenen en u zult tot zegen zijn. Daar wordt die twee eigenlijk samengevat: directe ontvanger, dat is de versmalling van Abraham en volk Israël. En tegelijk ook doorgever: alle volken, de hele wereld is op het oog. Je kan ook zeggen: aan de ene kant het voorrecht wat Abraham / Israël mag ontvangen en aan andere kant opdracht wat ze mogen doorgeven, welke betekenis ze hebben in deze wereld. Namelijk: licht voor de heidenen (titel van lezing).

 

Tweede tekst is paar bladzijden verder, Genesis 18. Iets minder bekend misschien, maar net zo indrukwekkend. Gaat mij dan om gedeelte vanaf vers 16, gesprek van HEERE met Abraham. HEERE komt bij Abraham op bezoek bij de eiken van Mamre. HEERE komt in gedaante van mens met twee engelen bij Abraham eten. Dan is de aanzegging: volgend jaar om deze tijd zult u een zoon hebben. Daarna vertrekt HEERE weer, Abraham doet HEERE uitgeleide. En dan komt tekst – de HEERE overlegt daarbij zichzelf [vers 17]. En dan herhaalt de HEERE die cruciale belofte, met die twee kanten opnieuw, net als in Genesis 12, [voorlezen vers 18].  Hier zien we, wat je veel vaker ziet in Genesis en door Bijbel heen (Genesis 22:18; 26:4; 28:14, Gal. 3:8): Abraham zal tot een groot en machtig volk worden, onder de zegen van de HEERE. EN tweede: alle volken van de aarde zullen in hem gezegend worden. Beide kanten. Abraham en Israël aan de ene kant, als tijdelijke beperking van Gods verbondsweg met Israël. Maar ook meteen hier al in en door Abraham is de wereld op het oog. HEERE heeft van meet af aan de wereld op het oog. Niet pas ná Abraham, niet pas ná tijdelijke versmalling van Israël, maar ook al in die versmalling en tijdens die versmalling. Heel concreet wordt dit zichtbaar in Genesis: de zegen van God aan Abraham en zijn nageslacht wordt gegeven aan anderen: Laban wordt gezegend door Gods zegen aan Jakob. Potifar door de aanwezigheid van Jozef. En de Farao wordt gezegend door Jacob. De missionaire betrokkenheid van de HEERE om alle mensen te bereiken, ook via de tijdelijke versmalling is steeds, vanaf het begin, er helemaal in verweven. Als we het zendingsbevel lezen uit Mattheus 28, dan klinkt het daar dus niet voor het eerst. Zeker wel anders, de wereld komt dan rechtstreeks in beeld als duidelijke opdracht om uit te gaan. Maar het vindt zijn wortels hier in Genesis 12, ja in God zelf, die uitgaat naar deze wereld.

 

Een ander voorbeeld is hoe de HEERE met zijn verlossende daden aan Israël ook steeds het doet ten aanschouwen van heel de wereld. Hij bewijst zich voor het toneel van de wéreld als de God van Israël. Niet alleen voor zijn eigen volk bewijst Hij zijn macht en majesteit. Voor ieder.

 

Exodus 9:13-16, voorlezen. 2x: geen God dan Ik in heel wereld. En: mijn naam verkondigd wordt over heel de wereld. Niet alleen in zijn verkoren volk of land. De HEERE is geen lokale God, die zich alleen tot één gebied of volk beperkt. Hij is schepper van hemel en aarde, de universele, almachtige God. Daarom: alle volken moeten het zien en horen de grote daden van de HEERE. In de zegen aan Abraham, maar ook in de vloek en oordeel, voor wie Abraham bedreigt – dat had God ook gezegd in Gen. 12.

 

Exodus 19:5-6 zien we ook weer opvallend opmerking staan. Juist als HEERE daar spreekt over zijn uitverkoren, unieke volk met unieke roeping, spreekt Hij over hele wereld [voorlezen]. Waarom? Hier klinkt de echo door van Genesis 12. De HEERE heeft – ook bij de verkiezing van zijn volk Israël – de wereld niet uit het oog verloren. De HEERE is Koning van de hele aarde – dat blijft het doel wat Hij voor ogen heeft – ook nu Hij zijn verbond met Israël sluit bij de berg Sinaï. Volgende hoofdstuk volgt de Tien Geboden.

 

Zo zijn er nog tal van voorbeelden te noemen. Als Jozua de Jordaan oversteekt met het volk Israël, om het beloofde land in te gaan, noemt hij opnieuw: opdat alle mensen van de hele wereld weten dat de hand van de HEERE machtig is (Joz. 4:23-24). Als David Goliath verslaat, gebruikt ook hij deze taal: opdat de hele wereld zal weten dat er een God is in Israël (1 Sam. 17:46). Als de tempel klaar is en Salomo bidt, als de tempel in gebruik wordt genomen – vraagt hij aan God dat alle mensen overal op de wereld mogen worden gehoord, als ze richting deze tempel bidden tot de God van Israël (1 Kon. 8:41-43; 60-61).

 

Andersom is het ook waar – samen lezen Jer. 4:1-2 [voorlezen]. Hier zien we: Jeremia spreekt hier tot een volk Israël dat afdwaalt in ontrouw bij God vandaan. Maar, als ze zich bekeren tot God en hun afgoden weg doen, dan zullen de heidenvolken ook weer de zegen in de HEERE kunnen ontvangen. Denk terug aan Gen. 12. Als Israël niet trouw met de HEERE leeft, dan kan het ook geen middel zijn in Gods hand om de zegen van HEERE door te geven tot anderen.

 

Israël is een licht voor de volken. Hun leven, hun gedrag: daar wordt zichtbaar hoe God werkt, wie God is. Ja, meer, vanuit Israël stroomt dan de zegen van God uit naar alle volken. Dat ze jaloers worden op de God van Israël. Vandaag is dat natuurlijk net zo – versterkt en expliciet – aanwezig. Als de gemeente van Jezus Christus trouw doet haar roeping, dicht bij HEERE leeft, scherp en krachtig verkondigt het woord van God, in liefde leeft met elkaar en met allen – dan is dat een getuigenis. Een voorbeeld voor de mensen. Dan is de gemeente en dan zijn de gelovigen een stad op de berg, een licht op de kandelaar, een zoutend zout in deze wereld.

 

De HEERE neemt hier een groot risico – om zo te zeggen. Hij legt hier grote verantwoordelijkheid op onze schouders. Want hoe de gemeente leeft – hoe de mensen de gemeente zien en leren kennen. Zo leren ze wie God is. Als de gemeente daarin dus faalt, struikelt, tekort schiet, dan heeft dat gevolg voor hoe mensen denken over God. God verbindt zijn naam aan de gemeente. Dat is echt een wonder – maar groot is de verantwoordelijkheid voor ons.

 

Twee manieren wil ik nog noemen waarin Israël heel duidelijk een voorbeeld met zijn van wie God is. Dat is de exodus uit Egypte. En het jubeljaar. Daarna gaan we richting een afronding.

 

Allereerst de Exodus, dat is toch hét moment in het OT waar de HEERE zijn volk verlost van de onderdrukking. De HEERE zei het al tegen Mozes en via Mozes tegen Farao: laat Mijn volk gaan, dat ze Mij dienen in de woestijn. Bevrijding van Israël is niet om een los leven te leiden, waarin ze zelf bepalen wie ze zijn en wat ze doen. Bevrijding van Israël is daarin echte vrijheid, dat ze de ruimte krijgen om de HEERE te dienen. Vrij van afgoden, slavernij en het ware leven mogen ontvangen bij God. Deze bevrijding is zo veel omvattend. Ze werden op veel verschillende manieren uitgebuit in Egypte. Er was politieke onderdrukking, economische uitbuiting, sociale uitsluiting, geestelijke onvrijheid. De HEERE heeft deze nood gezien, Hij was trouw aan zijn belofte aan Abraham en ontfermde zich over zijn volk. De HEERE laat met deze verlossende daden aan zijn volk dus zien aan alle volken wereldwijd dat Hij deze onderdrukking afkeurt en bestrijd. Dat Hij verlossend wil ingrijpen, omdat Hij verlossende God is die recht en gerechtigheid handhaaft. Toen, en ook vandaag. Omdat God rechtvaardige God is. Niet alleen naar Israël, maar naar elk mens. Immers, recht en gerechtigheid past bij Gods karakter en is niet ingeperkt tot een enkel volk.

 

Tweede voorbeeld is het jubeljaar. U weet dat hoogstwaarschijnlijk wel. Elk 7e jaar was het Sabbatsjaar, een jaar van rust. Maar het was de bedoeling dat Israël na de 7e Sabbatsjaar, dus na 7 x 7 jaar een jubeljaar hield. Dat is dus één keer in de 50 jaar. In dat jaar werden in Israël alle Israëlitische slaven weer vrijgelaten. Ging elk eigen stuk grond weer terug naar de oorspronkelijke eigenaar. En zo waren er nog tal van andere regels en wetten. Het Jubeljaar was het jaar van vreugde, van vrijheid, van verlossing. Ook hier zie je hoe de HEERE wil dat het leven zich herstelt in al zijn facetten. Er mag geen binding, geen onderdrukking, geen overmacht zijn. Op sociaal, economisch en godsdienstig gebied moest het volk bewaard worden bij de van God ontvangen vrijheid.

 

Het volk Israël mocht dus ook hier laten zien: ze zijn een licht voor de volken. Omdat ze laten zien in hun gehoorzaamheid aan Gods goede wetten, dat hun God een goede God is. Die het waard is om gediend te worden. Bij wie bevrijding, licht, genade is te vinden. Niet alleen in band met God. Maar breder, daardoor en daarin een bevrijding die doorwerkt in het hele leven.

 

Zien we hier niet afgetekend de daden van de eigen geliefde Zoon van God? Hij kwam op deze wereld, om zijn ziel te geven als losprijs voor velen. Het Lam van God dat de zonden van de wereld wegneemt. Maar Hij heeft ook zoveel meer gedaan. Wat zien wij in zijn wonderen? In zijn tekenen van genezing, herstel, bevrijding, zelfs dodenopwekking? Jezus Christus geneest en herstelt, bij Hem is er verlossing voor ziel en lichaam. Dit heeft betekenis voor de gemeente van Christus. Diakenen mogen leiding geven hieraan, maar heel de gemeente is geroepen om elkaar lief te hebben. Om elkaar te helpen. Financieel, maar ook bij ziekte, eenzaamheid, moeiten. Opdat in de gemeente zichtbaar mag worden dat je dat wil geven, wat God wil geven: herstel, bevrijding, genezing. En dit geldt ook naar getuigenis naar buiten: help mensen maar. Wees vrijgevig. Wees ruimhartig. Maak u vrienden met de Mammon, zegt Jezus zelf.

 

Er is nog genoeg om dit aan te vullen en uit te werken, maar dat laten we liggen. Ik wil nog afronden met de belangrijke vraag: wat betekent dit alles voor ons? Wat moeten wij hiermee als het gaat over onze daden en inzet van zending en evangelisatie? Met onze missionaire betrokkenheid bij de wereld van vandaag?

 

Wat mij enorm raakt is de diepe betekenis van deze benadering. Bij evangelisatie begint het werk niet bij ons. Dat is zo hoogmoedig. Zo arrogant. Het is Gods missionaire bewogenheid bij deze wereld. De wereld die Hij gemaakt heeft, laat Hij omwille van zijn naam niet verloren gaan. In zijn welbehagen ontfermde de HEERE zich en was Hij missionair bewogen met ons. Ook met mij. En u en jou. Ons allemaal. Zonder Gods missionaire bewogenheid met deze wereld is er geen licht – geen toekomst – geen vrede. Maar Hij zond zijn Zoon. Dus weg met hoogmoed, welkom nederigheid, dankbaarheid, liefde voor God.

 

Als wij spreken over zending en evangelisatie dan is het dus slechts doorgeven van wat we ontvangen hebben. Dan is het slechts gehoorzaam aansluiten met het werk wat God zelf bezig is te doen in deze wereld. Ook dat maakt bescheiden. Geeft ruimte. Hij zoekt mensen – en daarom ik ook. Niet andersom: Heere, wilt u mensen bekeren, want wij zijn nu bezig met evangelisatie, onze gemeente / kerkverband is klein, we hebben meer en nieuwe leden nodig, anders kunnen we onze dominee of kerkgebouw niet meer betalen…

 

Derde wat mij treft – leef zelf trouw, gelovig, dicht bij de HEERE. Persoonlijk, in je eigen omgang met God. Hier begint het. Je eigen hart. Kennen wij Jezus Christus. Zijn we vanmorgen met Hem opgestaan, hebben we Hem ontmoet, toen we de Bijbel openden. Hebben we Hem gebeden om zijn zegen. Kennen we Hem echt, persoonlijk, in een levende band van het geloof. Als dat er niet is, kan je stoppen met evangelisatie. Judas liep ook mee met Jezus, heeft zelfs in Jezus’ naam boze geesten uitgedreven. Maar de deur van Gods Rijk bleef dicht voor Hem, omdat Hij zelf niet echt geloofde. Ik wil maar zeggen: ken de HEERE.

 

Dat geldt persoonlijk, maar vervolgens natuurlijk ook in de gemeente samen. Er is niets zo dodelijk voor evangelisatie, als een gemeente waar geen liefde is. Waar geen verbondenheid is. Waar geen genade is. Als een gast daar binnenkomt en die sfeer proeft, dan is het eerste wat hij / zij over God leert het gedrag van de mensen. Ruzie in de gemeente is ook getuigend. Blijkbaar is de God óf een God van ruzie, of een God die niet bij machte is koppige, dwaze, ruziënde mensen krachtig te vernieuwen. Heb elkaar lief. Leef in vrede met elkaar.

 

Als vijfde en laatste, als het gaat om evangelisatie, is het belangrijk om ons ook op dit punt te bezinnen: hoe kunnen we praktisch, helpend aanwezig zijn in onze eigen omgeving. In de omgeving van je eigen adres, waar je woont. Maar ook als gemeente, in de omgeving waar kerkgebouw staat. Waar je een plek hebt. Hoe kan je daar iets getuigen met je daden, dat je tot zegen mag en wil zijn. Ik durf wel te zeggen: zoals het geloof zonder werken dood is, zo is evangelisatie zonder sociale bewogenheid dood. Als je als kerk in een buurt leeft vol criminaliteit, eenzaamheid, armoede – dan zie je dat toch? Dan gaat het je toch aan het hart? Dan wil je daar toch helpen? Dat vraagt bezinning, want je kan niet alles. Sterker nog, heel veel kan je niet. En het gaat wel als kern om het getuigenis van het geloof, het doorgeven van de hoop op het eeuwige leven. Maar laat het wel hand in hand gaan met sociale bewogenheid met de mensen. Net zoals de HEERE het oog heeft op heel de mens, het herstel van ziel en lichaam. Van vlees en geest.

 

Stellingen / vragen

  1. In de inleiding werd het punt gemaakt dat missionaire bewogenheid (evangelisatie / zending) niet begint bij onze plicht, maar bij God, die zelf missionair bewogen is met deze wereld. Wat bedoelt de spreker daar precies mee? En wat maakt dat nu concreet voor verschil?
  2. In de afgelopen 25 jaar van DGK / GKN / GK is er (naast veel zegen en vreugde) ook veel ruzie, scheuring en verwijdering geweest binnen gemeentes en tussen gemeentes onderling. Dat heeft meerdere oorzaken. Wat zegt dit over het geestelijke leven? Betrek bij je antwoord 1 Joh. 4: 7-21.
  3. Als je het werk van evangelisatie en zending gaat oppakken in een houding van hoogmoed en eigen kracht, hoe ziet dat er dan uit? Wat is dan wel een goede houding? Hoe ziet dat er dan uit, concreet? En hoe bewaar je jezelf en elkaar bij deze goede houding?
  4. Op welke manier kunnen wij als relatief kleine kerken ook onze sociale bewogenheid laten zien, en daardoor getuigend aanwezig zijn in de buurt waar we wonen of waar we kerken? Probeer zo concreet mogelijk dingen te noemen, die ook haalbaar zouden zijn voor onze eigen situaties.
  5. Stelling: wij zijn veel te afwachtend en te terughoudend. We moeten gewoon de straat op gaan. Folders uitdelen in de stad. Flyeren aan de deuren. Actie, actie, actie.