Ethiek

Kerkrecht

Nieuwe artikelen
Signalen



Aanmelden GRATIS nieuwsbrief

Naam:
E-mail:



printen

mailen

De vrouw in het ambt

 

Redactie een in waarheid

03-11-12

 

Op 7 oktober 2010 hield dr. R.D. Anderson, destijds predikant van de GKv te Katwijk, een lezing voor de Studiegroep Midden-Nederland. Daarin sprak hij over de openstelling van de kerkelijke ambten voor vrouwen, een onderwerp dat hoe langer hoe meer de GKv beroert. De lezing is door ons gepubliceerd op 2 juni 2012 in de rubriek Liturgie en eredienst.
Dr. Anderson behandelde m.n. de zgn. zwijgteksten. Hij komt tot de conclusie dat de Schrift niet toelaat dat vrouwen de ambten bekleden. Invoering ervan is zelfs kerkscheidend volgens hem.

 

Op de inhoud van de lezing reageert br. E. Bos van Capelle aan den IJssel. Hij komt tot een tegengestelde conclusie. Op zijn verzoek plaatsen we hier zijn commentaar op dr. Andersons lezing. Uit Bos' betoog valt m.n. te leren hoe voorstanders van vrouwelijke ambtsdragers omgaan met de Schrift op dit punt

We hebben ds. Anderson gevraagd om een reactie. Deze zullen we de volgende keer plaatsen.

 

Redactie een in waarheid

 



De vrouw in het ambt

 

Dr. Anderson[1] kiest in de discussie over de plaats van de vrouw in de gemeente van Christus op markante en heldere wijze voor het standpunt dat vrouwen dienen te zwijgen in de ere­dienst. Om de discussie[2] te dienen wil ik zijn motivering en conclusies aan de hand van de Heilige Schrift narekenen. De cursieve tekst is de samenvatting van een door hem gehouden lezing.[3]

 

Ik wil beginnen met de vraag hoe wij de Schrift benaderen. Dat kan gevoelig liggen. Van groot belang is te beginnen bij wat ons uitgangspunt moet zijn: Gods Woord dat tot ons komt. We dienen dankbare kinde­ren te zijn. Jezus gaf Zijn leven voor onze zon­­den. Dit moet ons uit­gangspunt zijn. Zo benader je de Schrift nederig. Soms zijn dingen moeilijk te verstaan voor ons. Alleen als dankbaar kind kun je dit aanvaar­den in de wetenschap dat Jezus alles opgaf voor ons. Dan alleen kun je bereid zijn om moeilijke dingen in de praktijk te brengen.

Gods Woord doet iets met je. Zowel het Oude als het Nieuwe Testament hebben iets te zeg­gen. Het NT citeert vaak het OT en past haar toe. De manier waarop we het OT lezen en benade­ren is van groot belang. Vaak wordt bij theologische opleidingen en wetenschap, zelfs in christelijke kringen, het OT benaderd als slechts een Joods boek. Los van wat het NT daar­over te zeggen heeft, wordt het OT geëxegetiseerd. Ook het NT wordt zo beoordeeld. Is dit een christelijke benadering van de Schrift?

Essentieel is wat de apostelen van Jezus ons te zeggen hebben, zij geven ons een bril om het OT te lezen. Een voorbeeld uit eigen kring is de exegese die ds. W. Wierenga gaf in ‘De Re­formatie’. Hij geeft een verklaring van Paulus' eerste brief aan Timotheüs over de positie van de vrouw. De argumenten van Paulus beoordeelt hij in het licht van zijn eigen exegese van Gen. 1 en 2, geheel los van wat Paulus daarover te zeggen heeft.  

Paulus benadert Gen. 1 en 2  met de bril door Jezus Christus gegeven. Wij moeten onze eigen bril afzetten. Jezus verschaft ons door Zijn apostelen de bril hoe ook wij het OT dienen te be­na­deren, niet alleen christologisch, maar ook hoe het OT geciteerd en toegepast wordt.

 

Commentaar: De verschillen in visie op de positie van de vrouw worden zowel door onze wijze van exegetiseren als door een ander omgaan met hermeneutische vragen veroor­zaakt. Voorstanders van de vrouw in het ambt willen evenals de tegenstanders nauwkeurig luis­teren naar wat de apostel zegt. Zij betrekken daarbij wel het geheel van de Heilige Schrift, en trachten op die wijze de bedoeling van de Here te achterhalen.  Dat zij andere conclusies trekken heeft vooral te maken met het vergelijken van tekst met tekst, het trachten na te gaan wat de bedoeling en achtergrond van die teksten is en het daarbij betrekken van tijd, cultuur en context.  Anders gezegd: zij hebben aandacht voor zowel de tekst en de con­text van het ge­schrevene als de context van de lezer.

Een groot probleem dat zich bij ons onderwerp voordoet is dat de uitleg die Paulus geeft van Gene­sis 1 en 2 niet overeenstemt met de tekst van die hoofdstukken. Men kan zelfs spreken van een tegenstrijdigheid. Bovendien heeft die uitleg door het beroep op de schep­pingsorde ver­gaande consequenties. Dr. Anderson lost die tegenstelling op door eenvoudig de bril van Paulus op te zetten en de vergaande consequenties ervan – naar we zullen zien - te beperken door ze te negeren. Ik meen echter dat het erom gaat dat je ervan overtuigd moet zijn dat voorgestane uitleg van Gods Woord goed en te verantwoorden is, Hem eert, het mensenleven laat opbloeien, en de gelovige optimaal in staat stelt in deze tijd als getuige van Christus te fungeren.

 

Nu komen we bij het eigenlijke onderwerp zelf, de vrouw in het ambt. Daarvoor wil ik twee tek­sten behandelen: 1 Tim 2: 11-15 en 1 Kor. 14.

 

Commentaar: Voor een verantwoorde bezinning over de positie van de christelijke vrouw in deze tijd en meer specifiek in de gemeente (eredienst) kan men zich niet be­perken tot deze twee tekst(gedeelten), maar behoort men alle relevante Schriftplaatsen mee te nemen. Om te beginnen met wat in de Bijbel staat over de schepping van man en vrouw: Laat ons mensen (meer­­voud) ma­ken naar ons beeld, als onze gelijkenis, op­dat zij (meervoud) heersen over de vissen der zee enz. (Gen. 1:26-28 en 2:8-25). Ook kreeg de vrouw na de zondeval van God te horen: de man zal over u heersen (Gen. 3:16). Deze voorzegging houdt een vloek in die zich in de loop van de geschiedenis heeft gerealiseerd, maar is geen norm of scheppingsordinantie, zoals vroeger om onbegrijpelijke redenen wel werd geleerd. Zie ons oude huwelijksformulier. 

Werd onder het oude verbond de vrouw duidelijk achtergesteld bij de man, onder het nieuwe verbond veran­derde dat. Joël had al eeuwen eerder geprofeteerd: Uw zonen en dochters zullen profe­teren (Joël  2:28-32) welke profetie met Pinksteren aan mannen en vrouwen werd ver­vuld (Han­de­lingen 2:17-21). In het Oude Testament was het uitzondering dat vrouwen pro­feteerden of leiding aan het volk gaven  (zoals Mirjam, Debora, Hulda en Noadja).

Het is van groot belang te zien dat bij de komst van Christus het patriarchale patroon werd doorbroken. Hij richtte zich expliciet tot vrouwen, genas hen of zegende hen. Niet al­leen sprak Hij met ze, hij werd ook door vrouwen als enigen (profetisch) gezalfd voor zijn begra­fenis. Het waren vrouwen die als eersten mochten getuigen van de opstanding.

In het nieuwe verbond is de besnijdenis als teken van deelname aan het verbond van jongens afgeschaft. De doop als teken van het verbond kwam voor allen, mannen zowel als vrouwen. Want Gij allen die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed. Hierbij is geen spra­ke van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrou­we­lijk: gij allen zijt immers één in Christus Jezus (Galaten 3:26-28).

Ook de charismata (gaven) vallen zowel aan mannen als aan vrouwen ten deel: Er is verschei­den­heid in genade­ga­ven of: er zijn verschil­lende gaven (1 Ko­rin­tiërs 12:4). ‘Laat ie­der van u de gave (cha­ris­ma) die hij van God gekre­gen heeft, ge­bruiken om de anderen daar­mee te hel­pen, zo­als het goede beheerders van Gods veelsoortige gaven betaamt’ (1 Petrus 4:10). Ieder, zo op zijn eigen plaats, met zijn eigen taak, met zijn eigen charisma, ‘... totdat wij al­len samen door ons geloof en door onze kennis van de Zoon van God een eenheid vor­men, de eenheid van de vol­maakte mens, van de tot vol­le wasdom (grootte) gekomen volheid van Christus’ (Efeziërs 4:13). Hierbij worden zowel de broeders als de zusters be­doeld en aangesproken. In dit verband gebruikt Paulus nog al eens het woordje ieder: Aan eenieder zijn gaven en taken gegeven, dus ook aan vrouwen. Vandaar dat we ons niet hoeven te verbazen over leiding en/of  onderwijsgevende vrouwen in het N.T.

Een en ander doet er niet aan af dat vrouwen enkele keren worden vermaand onder­danig aan de man te zijn, meestal in de huwe­lijks­re­latie. Voor de beoordeling van de soms tegenstrij­dig lijkende tekst gedeelten moeten we ons realiseren dat de apostelen leefden in een wereld waar­in de vrouw, zowel volgens de Grieks-Romeinse wetgeving en gewoonten als ook vol­gens de Mozaïsche wet en liturgie een ondergeschikte positie had. Het was ook de tijd van de over­gang van het oude naar het nieuwe verbond. Oude regels blijken taai. Zo besneed Paulus Timoteüs na­dat de vergadering in Jeruzalem kort tevoren had bepaald dat de besnij­de­nis niet nodig was voor het behoud van gelovigen (Handelin­gen 15 en 16). Ook handelde hij aan het eind van zijn reizen naar de joodse wet door in de tempel een gelofte te doen en offers te brengen (Handelingen 21).

 

1 Tim 2: 11-15

Als eerste 1 Tim 2:11-15, ik gebruik de vertaling NBG ’51:

 

"Een vrouw moet zich rustig, in alle onderdanigheid, laten onderrichten, maar ik sta niet toe, dat een vrouw onderricht geeft of gezag over de man heeft; zij moet zich rustig houden. Want eerst is Adam geformeerd, en daarna Eva. En Adam heeft zich niet laten verleiden, maar de vrouw is door de verleiding in overtreding gevallen; doch zij zal behouden worden, kinderen ter wereld brengende, indien zij blijft in ge­loof, liefde en heiliging, met ingetogenheid."

 

In hoofdstuk 3 volgen hierna de kenmerken van de oudsten.

Bovenstaande tekst geeft als regel voor zusters in de gemeente: ‘geen gezag over de man’, ‘moet zich rustig laten onderrichten’.

 

Deze regel wordt gestaafd door twee redenen, die rechtstreeks te maken hebben met Gen. 1-3:

 

1e  Eerst is Adam geformeerd en daarna Eva (volgorde van schepping).

2e  Adam heeft zich niet laten verleiden, maar de vrouw liet zich verleiden.

 

Commentaar:

1. Anders dan Anderson (niet nader gemotiveerd) meent gaat het hier niet uit­slui­tend over ‘zusters in de gemeente’, maar over zusters in het algemeen: in kerk èn samenle­ving. Je kan dit gebod niet tot de gemeente beperken met een beroep op hoofdstuk 3:14. Het begin van hoofd­stuk 2 dat over de overheden gaat is al breder dan de kerkgemeenschap, maar de verwij­zing naar de schepping (scheppingsorde) en zondeval maakt het gebod algemeen geldend. Daardoor wordt de onderdanigheid van de vrouw in het algemeen voorgeschreven, de schep­pingsorde en de zondeval hebben namelijk een universeel karakter (vgl. het meerderheids­rapport van de GS Groningen 1927). Zo kon Kuyper in de De Eerepositie der vrouw (V) schrijven: ‘Het is de les der historie en het empirisch gegeven en door God opgelegd dat de vrouw in het publieke leven niet met de man gelijk staat.’ (VII:) ‘Op politiek terrein kan ze om­drib­be­len, maar het is haar terrein niet en een ‘positie der eere’ wint ze op dat erf nooit.’  Ook de SGP meent expressis verbis dat de voorge­schreven onderda­nig­heid (van 1 Timoteüs 2) voor het gehele  publieke leven geldt. De toelichting op het Program van beginselen meldt: ‘Voor de SGP is het regeerambt voorbehouden aan de man. De par­tij is van oordeel dat er voor de vrouw geen plaats is in een politiek orgaan. De erken­ning van het hoofd­-zijn van de man sluit de regering uit voor de vrouw.’ In deze richting denkt ook de predikant P. van Ruitenburg. Zijn standpunt is dat het de vrouw niet toegelaten is te heersen en ook niet om ‘ooit’ te spreken, niet in de gemeente, maar ook niet in de samenleving. Hij signaleert een vloeiende lijn van het huwelijk naar de gemeente en naar de maatschappij.[4] Deze exegese is naar mijn mening conse­quent en logisch, maar wordt al bijna een eeuw niet meer aangehangen in de gerefor­meerde wereld die op dit punt de ontwikke­ling van de moderne samenleving accepteert. Ook dr. Anderson en veel tegenstanders van de vrouw in het ambt gaan hierin kennelijk mee.[5] Maar dan rijst wel de vraag waarom geldt die regel voor hen wel in de gemeente maar niet in christelijke organisaties en elders in de maatschappij? Je kunt het toch niet maken om buiten de kerk te zeggen dat het wel goed is dat een (gelovige) vrouw een verantwoordelijke en gezaghebbende functie heeft, maar binnen de kerk niet. Dat is niet eens zo zeer omdat de Bijbel dit ver­biedt, of omdat de Bij­bel dat onderscheid niet maakt, maar omdat het geen inte­gere positie is.

2. Adam is eerst geschapen (1 Timotheüs 2:13), daarna Eva. Daarin ligt inderdaad een prioriteit. Maar in 1 Corinthiërs 11:11 en 12 heeft Paulus ook hier het even­wicht bewaard en er op gewezen dat na Adam iedere man is voortgekomen uit een vrouw. De man moet zich niet op zijn prioriteit voorstaan en een vrouw moet zich niet boven de man verheffen.

3. De tekst dat Eva wel en Adam niet verleid is betekent volgens de verklaarders van de SV dat Adam anders dan Eva niet als eerste en niet door de Satan zelf is verleid. Ook hier is het een kwestie van prioriteit, waarop de man zich niet moet laten voorstaan.

4. Uitleggers wijzen erop dat er in Korinthe in de tijd van Paulus vrouwen waren die optraden als priesters van Isis en ook wel als hetaeren, luxe prostituees, die soms pro­vocatief optraden. Het is niet onmogelijk dat de verschillende waarschuwingen van Paulus aan het adres van de gelovige vrouwen ook ingegeven zijn door het losbandige optreden van deze heidense vrou­wen.[6]

5. Wie 1 Tim 2:11-15 letterlijk opvat komt in de problemen bij het gegeven dat vrou­wen wel onderwijs gaven (Titus 2:3-5), dat Priscillla aan de theoloog Apollos onder­wijs gaf (Hand. 18:24), dat Febe diaken was van de gemeente in Kenchreai en voor velen waaronder Paulus een patrones (beschermvrouw) was (Rom. 16:1,2) en dat Euodia en Syntiche met Paulus gestreden hebben in de prediking van het Evan­gelie (Fil. 4:2,3).

6. Als vrouwen niet met gezag mogen onderwijzen worden ze ook uitgesloten van het geven van catechisatie en het vermanen en onderwijzen bij zonden als het mannen betreft. Catechisatie en les geven op scholen mag wel, alleen als het om jonge kinderen gaat want dat kan je zien als verlengstuk van de opvoeding, zo is wel beweerd. De vraag waar de leef­tijdsgrens precies moet liggen, rijst onmiddellijk, maar deze vraagstelling lijkt bepaald niet in de geest van de Heilige Schrift.

7. Het is niet juist de vloek van Genesis 3 (het heersen door mannen) te zien als norm voor de relatie man-vrouw, omdat de man niet is geroepen de straf van God ten opzichte van de vrouw uit te voeren.

8. Uitleggers twisten over de betekenis van de zinsnede: doch zij (de vrouw) zal behou­den worden, kin­deren ter wereld brengende, indien zij blijft in geloof, liefde en heili­ging, met in­ge­to­genheid. Het meest voor de hand ligt dat dit Schriftwoord erop duidt dat de vrouwen in het moederschap en de verzorging van de kinderen een ereambt heb­ben. Voor de uitleg dat voor gelovige vrouwen alleen het moederschap is wegge­legd en dat ze bijvoorbeeld geen universitair docente mogen zijn (is immers onder­wijs met gezag ook t.o.v. mannen), bestaat geen grond.

 

 Je kunt vragen hebben bij wat Paulus bedoelt, maar de volgende elementen zijn helder:

  1. De stelling over de positie van man en vrouw voor wat kerkelijk gezag en onderricht betreft, wordt duidelijk gemotiveerd vanuit Gods scheppingsorde, volgorde van de schepping. De aard van de zondeval noemt Paulus als zijn tweede reden. Samen vormen ze de motivatie van Paulus' regel.
  2. Er spelen hier geen overwegingen betreffende de toenmalige culturele context een uitdrukkelijke rol.
  3. De door Paulus aangehaalde redenen maken duidelijk dat het hier gaat om een princi­piële regel, dus bindend voor Christus’ Kerk tot aan Zijn wederkomst.                          
  4. Aan het ambt van ouderling en predikant wordt een formeel gezag toegekend, de Schrift zegt dat deze ambtsdragers regeren in de naam van Christus en daarom be­horen gehoorzaamd te worden door de leden van de gemeente (Hand. 20, Hebr. 13: 7). De regel van 1 Tim. 2 behoort daarom toegepast te worden op deze ambten (zie ook NGB art. 30).

Deze vier essentiële punten zijn voldoende helder, los van hoe je in detail denkt over de exegese van aspecten van deze tekst.

 

Commentaar:

Ad 1. Anderson blijft de Paulinische regels beperken tot de gemeente. Zoals eerder gezegd: het gaat hier vanwege de universaliteit van de scheppingsorde over de positie van de vrouw in het algemeen, niet alleen in de eredienst, maar ook op het publieke terrein. 

De motivatie voor ondergeschiktheid (voor wat betreft gezag en onderwijs) stelt voor proble­men en is bij nader inzien minder helder dan Anderson betoogt. In Genesis, noch elders in het Oude Testament is uit het feit dat Adam eer­der dan Eva is gescha­pen de conclusie getrokken dat dit voor de vrouw een voor al­tijd ondergeschikte po­sitie ten opzichte van de man mee­brengt en dat zij nooit en te nimmer onderwijs mag geven. Alleen in 1 Timoteüs 2 wordt het eerst ge­schapen zijn gebruikt als argument voor de onder­ge­schikte positie van de vrouw. De tweede verwijzing van Paulus, die naar de zondeval, vindt zoals hij het letterlijk for­mu­leert zelfs geen steun in de Heilige Schrift. Vermoe­delijk hebben de verklaarders van de SV gelijk als ze stellen dat hiermee (slechts) de volgorde in de zondeval wordt bedoeld. Eerst de vrouw, daarna de man. Feitelijk heeft Adam zich wel degelijk laten verlei­den en daarmee voor ons al­len gezon­digd: ‘Daarom, gelijk door één mens de zonde de we­reld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben. (Rom. 5:12). Het woord één is een tel­woord en geeft aan dat alle mensen in (en met) Adam gezon­digd hebben. Adam was ook degene die door God tot verantwoording werd geroepen (Gen.3:9). In de brief aan de Romei­nen (5:14,15) wordt Adam als eerste tegenover Christus als de tweede Adam gesteld. Hij wordt daar een beeld van de komende Adam genoemd.  En de schrijver vervolgt: ‘want, in­dien door de over­treding van die ene zeer velen gestorven zijn, veel meer is de ge­nade Gods en de gave, be­staande in de genade van de ene mens, Jezus Christus, voor zeer velen overvloedig geworden. Voor de opmerking dat de aard van de zonde verschilde, zoals Anderson stelt, vinden we geen grond in de tekst. De Staten­bijbel­verklaarders denken alleen aan een verschil in aanspreker: de vrouw is door de Satan (de slang) aangesproken, de man door de vrouw. Maar dit was het water van de zee niet af dat beiden dezelfde zonde pleegden.

Ad 2. De stelling dat hier geen overwegingen betreffende de toenmalige culturele context een uitdrukkelijke rol spelen, mag worden betwijfeld. Vooral de Griekse maar ook de Romeinse beschaving kende de onderworpen­heid van de vrouw.[7] In Rome mochten de vrou­wen geen politiek ambt uitoefenen en hadden ze actief noch passief stemrecht. De vrouwen mochten geen aanklachten in­dienen en konden niet als juryleden in rechtszittingen optreden. Vrouwen konden slechts volledig vrij over hun bezit­tingen beschikken, wanneer zij minstens drie kinde­ren hadden, anders was een tutor voor verschillende zaken vereist. De tutor kon niet de eigen echtgenoot of schoonvader zijn, maar wel een eigen ver­want, want in het hu­welijk sine manu bleef de vrouw lid van de familia van haar vader. Een weduwe (vidu­a - betekende ook gescheidene!) gold als eigen rechtspersoon, maar men ver­wachtte echter wel dat jonge weduwen hertrouwden. Vrouwen werden door ver­schil­lende wetten benadeeld bij het erven. In de wetgeving was de ’patria potestas’ (= de macht van de man over de vrouw) vastgelegd: de vrouw is volkomen gehoorzaam­heid ver­schuldigd aan de man. Ook al treffen we in de tekst van de brief aan Timoteüs geen verwij­zing naar deze regelingen aan, Paulus sluit hier en ook in de brief aan Titus 2:5 (ten aanzien van jonge vrouwen) wel aan bij de toenmalige cul­tuur en wetgeving en ook bij de patriarchale situatie in het O.T. (Vgl. Efeziërs 5:22 en 1 Petrus 3:1 en 5, met verwij­zing naar Abrahams vrouw Sara). Aansluiting bij de toenmalige cultuur vinden we ook in de herhaalde oproepen aan slaven om hun meesters gehoorzaam te zijn (1 Tim. 6:1 en 2, Titus 2:9, 1 Petrus 2:18). Daaruit mag je toch niet afleiden dat de slavernij met haar ondergeschiktheid als zodanig door God is gewild?

Over de onderdanigheid van en het onderwijs geven door vrouwen is overigens meer te zeg­gen. Bij­voorbeeld dat Paulus oude vrouwen opdraagt priesterlijk op te treden en jonge vrou­wen te onderwijzen (Titus 2:3 en 4).  Ook is het gebod tot onderdanigheid  volgens Paulus in Efeziers 5:21 niet exclusief tot de vrouwen gericht: ‘weest elkander on­der­danig in de vreze van Christus.’

Ad 3. De door Paulus aangehaalde ‘twee redenen’ ( lees: argu­menten) zijn hiervoor al bespro­ken. Op zich is het juist om daaruit te concluderen dat we daarmee met een voor altijd bindende regel voor Christus’ Kerk te maken hebben, overigens met dien verstande dat het vanwege het universele karakter ervan niet alleen voor de kerk maar ook voor de samenleving geldt. Inhoudelijk betreft de scheppingsorde naar haar bewoordin­gen echter slechts een priori­teit en geen gezagsrelatie. Het heersen van de man over de vrouw komt in Genesis 3 aan de orde, maar dat betreft een vloek en geen opdracht of norm en is daarom terecht uit ons hu­welijksformulier verwijderd.

Ad 4. Uit het vorenstaande volgt dat we de regel van 1 Timoteüs 2 niet zonder meer kunnen toepassen op de ambten.

 

1 Kor. 14: 26-36

De tweede tekst is 1 Kor. 14: 26-36:

 

“Hoe staat het dan, broeders? Telkens als gij samenkomt, heeft ieder iets: een psalm of een lering of een openbaring of een tong of een uitlegging; dat alles moet tot stichting geschieden. Indien er in tongen spreken, laten het er twee, ten hoogste drie zijn, ieder op zijn beurt, en laat één uitleg geven. Is er echter geen uitlegger, dan moet men zwijgen in de gemeente, maar tot zichzelf en tot God spreken. Wat de profeten betreft, twee of drie mogen het woord voeren, en de anderen moeten het beoordelen. Maar indien aan een ander, die daar gezeten is, een openbaring ten deel valt, moet de eerste zwijgen. Want gij kunt alleen één voor één profete­ren, opdat allen lering en allen opwekking erdoor ontvangen. En de geesten der profeten zijn aan de profeten onderworpen, want God is geen God van wanorde, maar van vrede. Zoals in alle gemeenten der heiligen moeten de vrouwen in de gemeenten zwijgen; want het is haar niet vergund te spreken, maar zij moeten ondergeschikt blijven, zoals ook de wet zegt. En als zij iets willen te weten komen, moeten zij thuis haar mannen om opheldering vragen; want het staat lelijk voor een vrouw te spreken in de gemeente. Of is het woord Gods bij u begonnen. Of heeft het alleen u bereikt?"

 

Dit hoofdstuk waarin de tekst voorkomt, staat in het kader van de bespreking van de gaven van de Geest in de gemeente. Met het oog op de verstaanbaarheid in de gemeente is de gave van profetie belangrijker dan de gave van tongen. Profetie dient te worden gestimuleerd. 
In dit hoofdstuk is er driemaal sprake van een zwijggebod. Al in hoofdstuk 11 spreekt Paulus over regels voor mensen die kunnen profeteren of voorgaan in gebed. Mannen moeten geen hoofd­bedekking hebben, vrouwen wel. Hoe staat dit in verhouding tot hoofdstuk 14?
Mijn overtuiging is dat in hoofdstuk 11 de apostel nog niet over de erediensten spreekt. In hoofd­stuk 11 spreekt Paulus zeer algemeen over profeteren en gebed, twee activiteiten die niet be­perkt waren tot de erediensten. In Handelingen bijvoorbeeld treden vaak profeten op buiten de erediensten en ook zijn er profetessen, denk aan de zeven dochters van Filippus. Zij profeteren en bidden.

Halverwege 1 Kor. 11 begint Paulus wél te spreken over wat de mensen doen als ze samen­komen, het gaat dan over het avondmaal. Vers 17 gaat over de samenkomsten. Hoofdstuk 12, het hoofdstuk over de geestelijke gaven, gaat ook over de samenkomsten, waarschijnlijk hun erediensten. Paulus spreekt dan over het belang van profetie en verstaan­baarheid. In dat kader zegt hij: "Vrouwen behoren niet te spreken".

Het is mijn overtuiging dat Paulus dit algemeen bedoelt: voorgaan in gebed en profeteren door de profetessen behoort niet te geschieden in het kader van hun wekelijkse samenkom­sten. 

Toch zijn er mensen die dit zwijggebod (1 Kor. 14) in een ander kader proberen te zetten. Ze baseren dat op vers 29: "Wat de profeten betreft, twee of drie mogen het woord voeren, en de anderen moeten het beoordelen." Destijds in Korinthe, was het dus nodig dat de profetie, die gesproken werd door profeten, beoordeeld werd. Dat betekent dat er geëvalueerd, erover ge­sproken werd. Prof. Van Bruggen betoogt dat in dít kader de passage staat van het zwijg­ge­bod voor de vrouwen. Vrouwen, en ook profetessen mogen niet meedoen aan deze beoorde­ling van de profeten in de eredienst. Deze regel zou dan beperkt zijn tot dit kader.

 

Ik vind deze benadering geforceerd. De apostel leidt deze regel over de vrouwen in op een al­gemene manier: "zoals in alle gemeenten der heiligen moeten de vrouwen zwijgen, want het is haar niet vergund te spreken". Hij had makkelijk kunnen zeggen: "het is haar niet vergund mee te doen aan de beoordeling". Maar hij wacht tot hij de bespreking van de profetie afge­rond heeft en introduceert dan de algemene regel over het zwijgen van vrouwen. Ook zegt hij dat het lelijk staat als een vrouw spreekt. Dat staat ook in de wet. Discussie over beoordeling of evaluatie van profetie is in de wet geregeld. Nog sterker: "en als zij iets te weten willen komen moeten zij thuis hun mannen om opheldering vragen". Dat schrijft Paulus de vrouw voor die iets zou willen zeggen of vragen in de eredienst.

Maar is het mogelijk dat hier de beoordeling van de profetie op het oog is waaraan ook vrou­wen zouden kunnen deelnemen? Dat zou heel vreemd zijn, want die beoordeling gebeurt tij­dens de eredienst. Maar daarin beveelt Paulus juist vrouwen te zwijgen. Wat heeft het dan nog voor zin dat een profetes thuis haar oordeel zou geven over deze profetie? 


Paulus onderbouwt zijn zwijggebod hier met een verwijzing naar de wet. Hij gebruikt een ver­zamelterm voor het hele OT, hij heeft zelfs in vs. 21 een profetie van Jesaja aangehaald als een citaat uit de wet. Wat zou hij daarmee hebben bedoeld? Paulus heeft het ons niet verteld, we weten het niet precies, maar elders in het Nieuwe Testament, 1 Tim. 2, argumenteert Paulus uit Gen. 2 en 3. Ook hier moeten we bedenken dat Paulus dit schrijft als apostel van Jezus Christus. Verderop in het hoofdstuk, 1 Kor. 14: 37, zegt hij:

 

"Indien iemand meent een profeet of geestelijk mens te zijn, laat hij dan wèl weten, dat het­geen ik u schrijf, een gebod des Heren is. Maar als iemand hiermede niet rekent, dan wordt met hem niet gerekend".

 

Eigenlijk geeft de apostel een serie zwijggeboden: 

1 – een zwijggebod voor tongensprekers, 
2 – een zwijggebod voor profeten en 
3 – een zwijggebod voor vrouwen. 

Sprekers in vreemde talen moeten zwijgen wanneer er geen vertaler is, profeten moeten zwij­gen wanneer er een openbaring komt via een andere profeet, vrouwen behoren zonder meer te zwij­gen, een regel die Paulus vervolgens toepast op het lerende vragenmoment voor de ge­meen­te. Verondersteld wordt dat allen kunnen leren als de profetie van de profeten beoor­deeld wordt:

 

"Waar twee of drie het woord voeren, moeten de anderen het beoordelen. Maar indien aan een ander, die daar gezeten is, een openbaring ten deel valt, moet de eerste zwijgen. Want ge kunt alleen één voor één profeteren, opdat allen lering en allen opwekking erdoor ontvangen".

 

'Lering' betekent actief leren, waardoor je ook gelegenheid hebt om vragen te stellen. Het was normaal in de synagogen destijds, dat men al vragende, lering kon trekken. De apostel Paulus rekent daarmee als hij zegt: "vrouwen, als zij iets te weten willen komen, moeten thuis hun man­nen vragen". Hij maakt expliciet dat het zwijg­ge­bod voor vrouwen is, inclusief het stellen van vragen. Mannen mogen vragen stellen, vrouwen niet, zij mogen dat thuis doen. Terugdenkend aan 1 Tim. 2, 'in alle onderdanigheid', klinkt dit redelijk 'vrouwonvriendelijk'. Alsof hij dat wil onderstrepen. Maar geldt deze 'onderdanigheid' ook niet voor mannen? Zij ontvangen toch ook onderricht 'in alle onderdanigheid' tegenover ambtsdragers die over hen gesteld zijn?

 

Vergelijken we dit met 1 Kor. 14, dan is de conclusie dat vrouwen onderricht krijgen ook al mo­gen zij niet spreken terwijl het de man wel is toegestaan om vragen­stel­lend lering te ont­van­gen in de samenkomsten. In dit hoofdstuk geeft Paulus een al­gemene regel die voor de Korinthiërs bekend moet zijn geweest. We kunnen voor­zichtig concluderen dat in Korinthe het probleem lag bij het idee van sommige vrou­wen die meenden dat ze ook vragen mochten stellen bij dat leermoment in de ere­dienst.

Maar dat bleek een misvatting.

 

Commentaar:

1. Het gaat in de eerste brief aan de Korintiërs over het leven in de gemeente. Hoe men in de samenkomst omgaat met de aan ieder geschonken gaven en hoe men zich daar je­gens elkaar en de Here ge­draagt. Opvallend is dat Paulus in hoofdstuk 11 uitvoerig over het gebod voor vrou­wen om met gedekt hoofd te bidden schrijft.  Een gebod dat in de loop der jaren in de (niet bevindelijke) Gereformeerde Ker­ken terzijde is gelegd, terwijl Paulus het gebod nog wel bekrachtigde met de term ‘vanwege de engelen’. Klinker en Van der Schee vragen zich dan ook af hoe het mogelijk is dat je het ene gebod (het zwijgen van de vrouwen) meent te moeten hand­ha­ven en het andere gebod (gedekt hoofd) meent te mogen negeren. Het feit dat men het ene gebod handhaaft en het an­dere terzijde stelt, verzwakt de argumentatie voor het gebod voor vrouwen te zwijgen in de samenkomst.

2. De uitleg die de zusters verbiedt gebruik te maken van hun gaven van tongen en pro­fetieën in de samenkomsten of erediensten komt in het licht van Handelingen 2, waar allen in de sa­menkomst in tongen spraken zoals de Geest het hun ingaf, bepaald niet con­sistent over. De profeet Joël had al in oude tijden geprofeteerd dat uw zonen en doch­ters vervuld van de Geest zullen profeteren, zelfs dienstknechten en dienstmaag­den zullen profeteren (Joël 2 en Handelingen 2).

3. Het is op zich niet onaannemelijk dat Paulus in 1 Korintiërs 14 op een bij­zondere situatie duidt. Daarom is de verklaring van prof. Van Bruggen aanvaard­baar. Mw. Bremmer-Lindeboom heeft een soortgelijke verklaring: In 1 Corinthiërs 14 gaat het volgens de meeste exegeten over het deelnemen aan de discussie. Die vond plaats na het profe­teren (vers 29). Anderen gaven hun oordeel als iemand had geprofeteerd. Die dis­cussie verliep vaak onor­de­lijk. Nu wil Paulus orde op zaken stellen. Alle dingen die­nen tot stichting te geschieden. In het gebruik van de gaven moeten de ge­meen­teleden met elkaar rekenen. Dit brengt mee dat de ‘overtuiging’ van dr. Anderson dat Paulus hier een alge­meen voor alle tijden geldend zwijg­­ge­­bod voor vrou­wen oplegt en hun daarom het voorgaan in gebed en profeteren tijdens hun weke­lijkse samenkom­sten verbiedt, niet overtuigt.

4. Een algemeen en altijd geldend zwijggebod past overigens ook niet bij de uitdrukkelijk aan allen tot verheerlijking van God ge­ge­­ven gaven (charis­mata), waarover ook Paulus elders spreekt. Het ligt meer voor de hand te denken dat het zwijgen van vrouwen ‘zoals in alle ge­meenten’ kennelijk voorkwam overeen­stemde met de toenmalige zeden en gewoonten, ook op religieus gebied. De opmerking dat het lelijk staat als een vrouw spreekt, lijkt daarop bepaald te duiden. Zowel in de Grieks-Ro­meinse cultuur als in Joodse kring was het ongepast dat vrouwen spraken. 

5. In de synagogen mochten de vrouwen niet meedoen en dat was in de lijn van het oude ver­bond, waar de ere­dienst vaak alleen aan de mannen was voorbehouden (zie Ex. 23:17, 34:23, Deut. 16:16); ook de tempel uitsluitend door mannen werd ingewijd (2 Kron. 5 e.v.).[8]  Daar­om mochten de vrouwen ook in de synagoge niet aan de ere­dienst participeren en moesten ze apart zitten,  vaak op inferieure plaatsen. We zien die situatie nog in moderne orthodoxe syna­gogen. Veelzeggend is ook Paulus passim verwijzing naar de wet (vs. 34). Dr. Anderson meent dat Paulus daarmee het hele O.T. kan bedoelen. Het ligt m.i. daarbij voor de hand in het bijzonder te denken aan die schriftge­deelten die specifiek over de positie van de vrouw gaan en dat is nogal veel. In het algemeen kan men zeggen dat de positie van de vrouw in het O.T juridisch en liturgisch achtergesteld was bij die van de man. Man­nen mochten van de Here (zie de profeet Nathan t.o.v. David 2 Sam. 12:8) zelfs  meer vrouwen hebben. De vrouw werd beschouwd als het via een huwelijksslui­ting gekochte bezit van de man (en niet omgekeerd). Vandaar dat Sara Abraham haar heer noemde (Gen. 18:6 en 1 Petr. 3:6). Daarom was het ook geen echtbreuk  als een getrouwde man omging met een meisje dat niet getrouwd was. In beginsel konden vrouwen niet erven (Num. 27). Het verbond liep via de mannen. Alle mannelijke kinderen moesten op de achtste dag na de geboorte besneden worden. Dit was een wezenlijke voorwaarde om te behoren tot het verbond, min of meer zoals onze doop voor het behoren tot de kerk. Er was echter geen overeenkomstige initiatierite voor vrouwen (Gen 17, 9-14, Ex. 12:48). De Mozaïsche wet­ten zijn qua aanspraak aan de mannen gegeven. Die wet kende veel bepalingen  in het nadeel van de vrouw, bijv. bij de geboorte was de moeder langer onrein als het kind een meisje was (Lev. 12); elk eerst­geboren mannelijk kind ‘dat de moeder­schoot opende’ moest worden vrijgekocht door een speciale offergave, een meisje telde niet (Ex 13, 11-16); de wet van de jaloersheid was eenzijdig gericht tegen de ontrouwe vrouw (Num. 5:11-31); een scheidbrief kon alleen opgesteld worden door de man (Deut. 24:1-4), een meisje dat bij de huwelijkssluiting geen maagd blijkt te zijn, zal worden gestenigd (Deut. 22: 20 e.v.); een godsdienstige gelofte van een vrouw was niet geldig, tenzij die door haar vader of haar man was bekrachtigd (Num. 40:2-17); mannen konden een vrouw kiezen maar omge­keerd niet; alleen mannen verschenen bij de feesten voor het aangezicht van de Here (Ex. 23:17, 34:23, Deut. 16:16);  de tempel werd slechts door mannen ingewijd (2. Kronieken 5); in de tempel van Herodus  mochten  vrouwen slechts de voorhof der vrouwen binnengaan; ook in de synagoge participeerden de vrouwen niet aan de dienst, ze mochten alleen op aparte, vaak inferieure plaatsen zitten. Zij die tegen vrouwelijke ambtsdragers zijn, zullen  zich gelet op deze situatie echt moeten afvragen in hoeverre de regeling van de positie van de vrouw in de tijd van het O.T. (de wet) normatief kan zijn voor christenen van de eenentwintigste eeuw.

6. Het typerende van het NT is echter dat onze Heiland deze achteruitstelling heeft door­bro­ken. Hij doorbrak het rollenpatroon van het O.T. Hij verwees ook naar de scheppingsorde toen hem naar de geoorloofdheid van echtscheiding werd gevraagd (Matt. 19) en wees erop dat man en vrouw door het huwelijk tot één vlees zouden zijn. De slechte praktijken van het O.T. zoals Mozes ‘wegens de hardigheid des harten’  had toegestaan, verklaarde Christus tot zonde.

Jezus ging anders om met vrouwen dan men op basis van de traditie en de wet gewend was. In het Evangelie van Johannes lezen we in hoofdstuk 4 dat de discipelen verbaasd waren dat Hij met een vrouw in gesprek was, niet met een ‘Samaritaanse vrouw’, maar met ‘een vrouw’. Bij Jezus is een vrouw een gespreks­part­ner en geen zwijgende luisteraar. Illustratief is ook dat Hij juist in een syna­goge een kromgebogen vrouw genas (Luc. 13:10-21). Een heel opmerkelijke ge­schie­denis, want de vrouw sprak daarna in die synagoge: zij richtte zich op en verheerlijkte God. Zwijgen was er bepaald niet bij! Verder kunnen we nog wijzen op de volgende gebeurtenissen: Jezus’ ontmoe­ting met Kanaänese vrouw en Zijn vriendschap met Maria en Martha. Ook waren het vrouwen die Hem met kostbare olie zalfden, hetgeen door de discipelen werd afgekeurd. (Matt. 26:6-13; Marcus 14:3-9, Luc. 7:36-50 en Johannes 12:1-8). Vrouwen mochten als eersten   ge­tuigen en verkondigers van de opstanding zijn.

 

7 De opmerking dat het lelijk staat als een vrouw spreekt, is toch wel een heel duidelijke ver­wij­zing naar de mode van die tijd.

 

8. Aandacht verdient het woord zwijgen. Door dit gebod letterlijk op te vatten zijn er mensen geweest die vrouwen zelfs het zingen in erediensten verboden.[9] Juist dit extreme voorbeeld geeft aan dat het zwijgen in ieder geval gerelativeerd moet worden. 

 

9. Het is ook minstens twijfelachtig of je regels die voor de samenkomsten uit de tijd van Paulus golden en die heel anders georganiseerd en van aard waren dan onze kerkdiensten, zonder meer op de eredienst en kerkelijke samenkomsten van onze tijd mag toepassen.

 

10. Een algemeen zwijggebod voor vrouwen stelt ook voor buitengewoon veel casuïstische vragen: zoals: mag een vrouw wel een gemeentevergadering leiden, mag ze solo zingen tijdens de eredienst, mag ze de schriftlezing doen tijdens de eredienst of voorgaan in gebed, mag ze pastoraal werkster zijn, mag ze catechisatie geven, mag ze andere kerkelijke functies bekleden dan ouderling, predikant of diaken, mag ze scriba, zendeling of evangeliste zijn,  mag ze een kerkblad redigeren enz.  Men moet zich in gemoede afvragen of dit soort vragen met het oog op Gods Koninkrijk nuttig zijn.

 

Hoe zijn nu de huidige kerkelijke ontwikkelingen?

'De vrouw in het regeerambt' zou eigenlijk geen discussiepunt moeten zijn. Maar toch is deze zaak op de agenda van de kerken gezet. De vraag is ook of het daar wel op de juiste manier is gekomen.

Het ingestelde deputaatschap m/v heeft drie taken. De eerste is wetenschappelijke bezinning op het onderwerp, tweede is bezinning binnen de kerken en derde het voorbereiden van prak­tische besluiten op de korte termijn. Met name bij de toelich­ting van het derde punt zie je een zorgelijke trend. Het voorbereiden van zulke be­sluiten is gebaseerd op de vooronder­stelling dat het mogelijk moet zijn dat de vrouw op de één of andere manier praktisch, dus sprekend in te zetten is in de erediensten.

Ik citeer besluit 8: commissie moet zich buigen o.m. over de volgende vraag: Wat kan de rol van de vrouw in de eredienst zijn (liturgie, voorbidden, voorlezen)?

Besluit 9 vraagt in hoeverre is het nodig om als kerken over de plaats van de vrouw samen besluiten te nemen. Is het niet mogelijk elkaar vrij te laten?, en als er richt­lijnen wenselijk zijn, zo ja, welke? Openlijk worden alle opties op tafel gezet, zelfs de suggestie dat als vrou­wen het regeerambt gaan vervullen 'conservatieve kerken' dit desgewenst niet toestaan in hun eigen gemeente. Ja, zo is het ook gegaan in de jaren ’80 in de Christian Reformed Churches in Amerika.

 

De grote vraag is of dit kan worden aanvaard. Kunnen we als kerken leven in een kerkverband waar toegestaan wordt dat de regel die de Here Christus ons geeft d.m.v. zijn apostel terzijde gesteld wordt, omdat mensen daar nu eenmaal andere ideeën over hebben? De helderheid, de duidelijkheid van Gods Woord is hier m.i. in geding. Ik weet dat er mensen zijn die proberen een exegese te geven waardoor ze bij wat in Gods Woord staat over deze zaak tot een tegen­o­vergestelde conclusie komen. M.a.w. dat het wel toegestaan moet worden dat de ambten open­­­gesteld worden voor vrouwen. Op honderd en één verschillende manieren wordt dit bere­deneerd, soms zelfs tot en met bespotting van wat de apostel Paulus zegt.

Naar mijn overtuiging is het voldoende helder dat de toelating van de vrouw tot het regeer­ambt beschouwd moet worden als overtreding van Gods gebod en als een terzijde stelling hoe vernuftig ook gepresenteerd met wat Hij duidelijk ons opdraagt. Kunt je dan een regeling ac­cepteren waarbij kerken hun eigen koers die afwijkt van de Bijbel kunnen bepalen? Mijn overtuiging is dat dit onderwerp kerkscheidend is en voor ieder behoort te zijn.

 

Wanneer dat zo is, zitten we nu al in een moeilijke situatie, nl. in onze samenspre­kin­gen en sa­menwerking met de Nederlands Gereformeerde Kerken. Zij hebben een uitgebreid rapport over dit onderwerp geschreven en gepresenteerd. Daarin wordt geconstateerd dat we alle­maal op verschillende manieren de  Schriftgedeelten uit­leggen die op deze zaak betrekking hebben. Daarom moet je ieder de vrije keus laten...

In dit rapport wordt ook de zeer stellige mening verkondigd dat onze eigen cultuur, ons eigen gevoelen rond dit onderwerp, ook een rol moet spelen in onze besluit­vor­mingen. Maar dat verraadt een heel andere houding dan die van het nederig luis­teren naar wat Gods Woord tot ons te zeggen heeft. En toch werken we intensief sa­men met de NGK in veel plaatsen.

De laatste synode heeft een aantal voorwaarden vastgesteld vóórdat kan overge­gaan worden tot de vorming van een samenwerkingsgemeente. Maar het is zeer opmerkelijk dat er met geen woord gerept wordt over de mogelijkheid dat een van de samenwerkende gemeenten vrouwe­lijke ambtsdragers heeft zoals in veel ge­meenten van de NGK het geval is.

 

In onze eigen kringen is er niet alleen het fenomeen van vrouwelijke Schriftlezers maar inmid­dels ook van preeklezeressen (GKv Venlo). Daarin is een zekere trend waarneembaar. Het is belangrijk de ontwikkelingen nauwlettend te volgen. Want het gaat wel om een zaak die kerk­scheidend is. 
We moeten blijven luisteren naar wat onze Here hierover te zeggen heeft. Dat gaat niet zelden tegen onze 'moderne' gevoelens in en staat vaak haaks op de huidige cultuur. Maar niet onze gevoelens mogen de doorslag geven. We moeten dankbaar en uit liefde Christus volgen ook al vraagt Hij van ons dingen die we niet volledig kunnen begrijpen.

 

Ik dank u. (Tot zover dr. Anderson)

 

Commentaar:

Het is te betreuren dat dr. Anderson tweemaal de term ‘kerkschei­dend’ ge­bruikt en daarmee de discussie op scherp zet. Het kan ook anders zoals de al genoemde brochure Man­ne­lijk en vrou­welijk schiep Hij hen (2012) aantoont.  Belangrijk is een open en discussie on­der gelovigen die naar de Bijbel als Gods Woord willen leven en handelen met betrekking tot de eredienst en in het bijzonder de positie van de zusters daarin.

Een tweede opmerking betreft de term ‘het regeerambt’. Die komt zo niet in de Bijbel voor. Heerschappij voeren, zoals in de staat en de maatschappij  is er in de kerk niet bij, zoals de Here Jezus ons leert in Matteus 23:6-11 en we verder ook lezen in Ef. 4:11, 1 Pet. 5:2-4, Joh. 10:11 en Heb. 13:20. Het heersen, de vloek van Genesis 3, past niet in de gemeente van Christus.

Een derde opmerking raakt het tijdsverschil. Die factor wordt in het betoog van dr. Anderson bewust niet meegenomen. Maar het wel zo dat wij in een heel andere tijd leven dan die van het O.T. en van Paulus, een tijd waarin de positie van de vrouw binnen een eeuw enorm veranderd is. Er is daarbij niet alleen sprake van ideologische en juri­dische veran­deringen, maar ook van technische en sociologische. Anders gezegd: vrouwen hebben de afgelopen eeuw in onze samenleving een heel andere positie gekregen. We hoeven alleen maar te denken aan het arbeidsproces, waar veel vrouwen een belangrijke en vaak leidingge­vende positie innemen. En zo is het ook ten aanzien van de politiek, het landsbestuur, het onderwijs en de wetenschap. Dit vraagt van ons dat we niet alleen tegenover buitenstaanders, maar ook tegenover de eigen gemeenteleden en onze jeugd met goede en overtuigende argumenten moeten komen om vrouwen in de kerk het gebruik van een gedeelte van hun van God gegeven gaven te ontzeggen. Ik meen dat de tegenstanders van de vrouw in het ambt de zin en de bedoeling van die ontzegging in het licht van het Koninkrijk niet kunnen aantonen. Eigenlijk erkent dr. Anderson dit ook. Dat steekt in deze tijd.

 

 

Ik eindig met twee stukjes, een van de hand van ds. H. de Jong en een van ds. H.G. Abma.

 

Ds. De Jong schrijft over het tijdsverschil[10]:

Het wordt een voordeel als we leren de Bijbel historisch te lezen, als het eerste deel van de weg die God met zijn volk door de geschiedenis gegaan is. Op die weg heeft Hij ons in zijn Woord beslissende dingen over ons menselijke bestaan gezegd, maar die zijn hier en daar gekleed in een gewaad dat het onze niet meer is en ook niet hoeft te zijn. Je kunt de Schrift, vooral wat haar voorschriftenkant of haar moraal betreft, niet in haar geheel overplanten naar deze tijd. Dat is een last die te zwaar is om te dragen en bovendien een dwaasheid. Da Costa verzette zich destijds tegen de afschaffing van de slavernij. Dat was van de goede man een bi­bli­cisme. Hij had gelijk, de Bijbel verordent nergens die afschaffing. Wie in die tijd gevraagd had: waar zegt de Here God dat we aan die slavernij een einde moeten maken?, kreeg uit de Bijbel geen duidelijk antwoord. Ook bij het historisch lezen van de Bijbel kwam je niet verder dan een suggestie in die richting. Da Costa zag er dan ook aan voorbij dat het met de slavernij gegaan was als met zoveel ‘dingen die door het gebruik teloor gaan’ (Col. 2 : 22). De samen­leving als heerschappij maakte gaandeweg plaats voor de maatschappij en daarin paste de sla­ver­nij niet meer. Da Costa had dus moeten doen wat hij van de Bijbel zeker had kunnen leren, namelijk: letten op de tijd waarin je leeft.

 

De vrouw en het filter van de wijsheid

Dat moet toch ook als het over de plaats van de vrouw gaat? Je kunt toch niet, terwijl de vrouw op alle gebieden van de samenleving een volwaardige plaats inneemt, doen alsof we nog in de tijd van Paulus leven? Professor Douma brengt hier het Paulinische voorschrift uit I Korintiërs 14 : 34 :’Dat de vrouw zwijge in de gemeente’, bij ter spra­ke. Inderdaad ben ik van mening, denkend aan Galaten 3 : 28: ‘In Christus is noch man­nelijk noch vrouwelijk’, dat we ons door dit woord niet hoeven te laten weerhou­den de zusters in het kerkelijke ambt te ont­van­gen. Douma brengt hier tegenin dat gelijkheid voor Christus (die de apostel inderdaad leert) niet betekent gelijkheid in taakverdeling. Ik ken het argument maar vind het spitsvon­dig. Als man en vrouw in Christus gelijk zijn heeft dat, zeker op de duur, gevolgen voor hun plaats in de ge­meente. Maar zegt daarom dit apostolische voorschrift voor ons nu niets meer? Dat is niet wat ik beweer. Ik heb betoogd dat zulke voorschriften door het filter van de wijs­heid heen moeten. Wat zou hier dan de wijsheid kunnen zijn? M.i. dit dat de vrouw als vrouw, met de typisch vrouwelijke eigenschappen die haar eigen zijn, haar bijdrage aan het gemeen­te­lijk leven zal geven. Het is mijn ervaring dat het een weldaad is wan­neer er in de kerkenraad ook vrouwen zitten. De man is sterker in zaken, de vrouw in personen. De man is de bedenker van het beleid wat wel eens zakelijk-te zakelijk kan overkomen, de vrouw is meer bij de uit­voe­ring betrokken en op de menselijke maat­voe­ring bedacht. Het verschil maken tussen man­nen en vrouwen nemen we dus van Paulus over, maar we geven daar een meer eigentijdse invulling aan, met trouwens wel een rest van blijvende volg- of rangorde. Dat Paulus het zwijg-voorschrift aan de ge­meente oplegde, is zonder meer begrijpelijk. Op het zendingsveld doen we dat nog. Maar de vraag is dus of dit blijvend moet zijn. Bij ons is het te lang geble­ven. Of neem een ander voorbeeld waarbij we binnen de Bijbel zelf kunnen blijven: Mozes schreef ten aanzien van de gecastreerden nog voor dat deze gemutileer­den niet in de gemeente des HEREN mochten komen (Dtn. 23 : 1), terwijl de ballingschapsprofeet een heel ander geluid laat horen en hun een blijvende toekomst in dat zelfde huis des HEREN belooft (Jes. 56 : 3-5). Je ziet aan dit voorbeeld dat er in de Bijbel zelf al een ontwik­keling gaande is die weet af te stoten wat achterhaald is. Petrus verklaart op het Apos­tel­convent in Jeruzalem de Mozaïsche wetgeving tot een juk dat te zwaar was om te dra­gen (Hand. 15 : 10). Daarbij heeft hij natuurlijk niet aan alles gedacht dat door Mozes voorgeschreven was, maar speciaal aan die dingen die onnodig knellend waren geworden, zoals de spijswetten. Aan zulke gegevens uit Bijbel (en traditie) mogen wij analogieën ontlenen die ons kunnen helpen de Bijbel vol­wassen te gebruiken. Het is daarbij zeker waar dat we niet voor elke situatie een tekst kunnen vinden. Maar dat hoeft ook niet, het leven zelf wijst ons hier de weg.

 

In april 1983 schreef H.G. Abma een opvallend artikeltje in het Gereformeerd Week­blad. Behalve predikant was Abma van 1963 tot 1981 kamerlid voor de SGP, een aan­tal jaren zelfs fractievoorzitter. Hij had Calvijns exegese op het opstandingsevangelie bestudeerd. En Calvijn is, net als Van Bruggen, een onverdacht Schriftgetrouw theo­loog. Toch benadert Calvijn deze geschiedenis heel anders.

Calvijn zegt: Jezus begon met de vrouwen. Hij vertoonde Zich niet alleen het allereerst aan haar, Hij gaf haar zelfs een opdracht de blijde boodschap aan de discipelen te bren­gen en zo hun ‘instructeurs’ te worden. Zo werd allereerst de onverschilligheid van de discipelen bestraft. Die waren halfdood van angst, terwijl de vrouwen dapper naar het graf gingen. Daarvoor verleende Christus haar een zeer eervolle onder­scheiding, want Hij ontnam de mannen het apostolisch ambt en vertrouwde het de vrouwen voor korte tijd toe.

Zo toonde Hij, aldus Calvijn, een voorbeeld van wat Paulus ons zegt, dat de Here het dwaze en zwakke in de wereld heeft verkoren om de trots van het vlees te vernederen. En nooit zullen wij behoorlijk voorbereid zijn om dit geloofsartikel (van de opstan­ding) te leren op enige andere manier dan door het opzij zetten van alle hoogmoed en door onderwerping het getuigenis van vrouwen te ontvangen.

En ds. Abma zegt dan dat Calvijn bewaard bleef voor die merkwaardige krampachtig­heid, die wij tonen als het gaat om wat wij zeer principiële onderwerpen noemen! "Op het meest beslis­sende en funderende tijdstip droeg Christus het unieke apostelambt over aan vrouwen."

Wij moeten er maar eens in alle rust over nadenken. Opdat wij ingetogener ons oordeel geven, en minder categorisch (onvoorwaardelijk). Hoe ver­schillend benaderen respectabele theologen soms bepaalde bijbelgedeelten! Hoe voor­zichtig moeten wij zijn in het oordeel over elkaar!

 

Capelle aan den IJssel, 8 september 2012

 

E. Bos

 



[1] Dr. R.D. Anderson (1963) was van 1996-2012 predikant van de gemeente Katwijk en sinds 2012 van de FRC te Rockingham (W.A.).

[2] DE GS van Harderwijk van de GKv heeft deputaten in 2011 opdracht gegeven met een rapport te komen, en daarbij rekening te houden met de resultaten van bezinning en besluitvorming van kerkenraden. Gemeenten en kerkenraden buigen zich over de materie.

[3] Dit is de globale inhoud van de lezing die dr. Anderson op 7 oktober 2010 hield voor de studiegroep Midden Nederland in Nijkerk.  Te beluisteren via www.studiegroepmiddennederland.nl 

[4] Geciteerd via De vrouw in deze tijd in bijbels licht, L.G.A. Bremmer-Lindeboom, in Transparant, jan. 1990.

[5] Zo ook bijvoorbeeld de brochure van de Gereformeerde Bond Mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen (2012) waarin de mogelijkheid van vrouwelijke ambtsdragers werd afgewezen.

[6] Mieke Wilcke en Marc Janssens, De plaats van de vrouw in de eerste eeuwen, in Vrouw en kerk, uitgave van het Gereformeerd Sociaal en Economisch Verband, 1999, p. 95.

[7] Wilcke en Janssens,a.w. 92-93.

[8] De joodse tempel was voor de mannen. Wel was er een binnenplaats met een balkon gereserveerd voor vrouwen. De naam ervan was Ezrat Nashim.

[9] Anderson in CNT, 1 Korintiërs, p. 215 meldt dit slechts zonder commentaar te leveren..

[10] Fragment uit het artikel van Drs. H. de Jong, emeritus predikant NGK te Zeist, Antwoord aan professor Douma, destijds (2010/2011) gepubliceerd op de intussen opgeheven website www.jochemdouma.nl.