Ethiek

In de pers

Nieuwe artikelen
Signalen



Aanmelden GRATIS nieuwsbrief

Naam:
E-mail:



printen

mailen

Kerk en geloof

 

N. van Dijk

11-06-16

 

In zijn onlangs uitgegeven boek Vreemdelingen en priesters heeft dr. Stefan Paas (hoogleraar missiologie aan de TU Kampen) zich nader bezonnen op de opdracht van de kerk om een lichtend licht en een zoutend zout te zijn in de wereld. Hij komt tot een andere invulling van die opdracht, nl. minder gericht op de individuele bekering van zondaren. In een interview in het ND wordt door de interviewer gesteld:

 

"Maar het komt er wel op aan, het gaat over mensen die verloren zijn als ze niet geloven".

 

Paas reageert:

 

"Wat is dat voor goed nieuws: als je niet gelooft ga je naar de hel? Dat is geestelijke chantage. Is het niet problematisch, dat je mensen laat focussen op hun eigenbelang - hun zielenheil en een veilig hiernamaals - en niet op Gods eer? Het is niet aan ons om te bepalen wie verloren gaan en wie gered worden. Dat is wat ik noem: leunstoeltheologie, negentiende-eeuwse opwekkingsevangelisatietheologie dat mensen in de hel komen tenzij ze Jezus persoolijk aannemen. Orthodoxe protestanten denken vaak nog op deze manier. Piëtistisch. Dat is niet meteen onzin of verkeerd, maar uiteindelijk is het Bijbels gezien te mager en in de praktijk niet werkbaar".

 

Het boekje De dienst van de mondige kerk (een confrontatie met het appel van de ‘mondige’ wereld), geschreven in 1971 door prof. Trimp, is oud maar nog niet verjaard. In het woord vooraf schrijft Trimp dat de kerk altijd heeft nagedacht over de ‘wijze van de dienst’, die God van haar eist.  Ook in de eeuw waarin het boekje verscheen werd er van alle kanten een sterk appel gedaan aan de kerk om haar dienst aan de naaste te radicaliseren. Overgeleverde vormen stonden onder kritiek, gewaarschuwd werd tegen conservatisme en conformisme, die de kerk zouden vervreemden van de omringende, mondig geworden wereld.

In het hoofdstuk De mond der kerk in een ‘mondige' wereld citeert prof. Trimp uit het boek Mondigheid en de machten van prof. Dr. Ir. H. van Riessen, waarin over de menselijke mondigheid geschreven werd vanuit de antithese van het evangelie:

 

“Wat met onze nieuwe tijd gaat gebeuren hangt af van het Woord en van de verhouding van de mensen tot dat Woord. Niets is van zo radicale betekenis in de schepping dan dat God tot de mens is gekomen in Zijn woord en in Zijn Zoon. Men zou kunnen zeggen, dat de idee van de autonomie doordringt in de kerk, dat de kerk zich meer horizontaal gaat oriënteren, zodat ook zij soms over de zaken spreekt alsof God er niet zou zijn. De secularisatie dringt binnen. Dat is vooral te bespeuren in de neiging van de kerk om zich aan te passen aan de wereld. Men spreekt menselijk en solidair, met verontschuldiging van zichzelf, desnoods beschuldigt men kerken, prijst men de goede wereld, valt de secularisatie bij en verwenst de religie. Men aanvaardt een wereldse levensstijl en veroordeelt al wat voorheen bij ouderwetse mensen christelijk heette en heet; vooral is men geneigd om het eigen verleden te veroordelen. Kortom men maakt de kerkelijke gevel zo liefelijk en aanvaardbaar, dat de wereldse mens geen reden heeft  om niet binnen te komen, maar ook geen reden meer overhoudt om dat wel te doen….”

 

En intussen blijft de zaak, waar de kerk voor moet staan, op de achtergrond, de taak nl. om de wereld te verkondigen, dat Christus haar gered heeft, om de mensen op te roepen tot bekering van de zonde en tot Hem.

 

“Het is de verkondiging van een boodschap, die om een keuze vraagt, want hij snijdt als een zwaard door de wereld heen. Hij scheidt de geesten, en hij wekt zowel grote blijdschap als diepe ergernis”.

 

In  OnderWeg (12 april) schrijft Ad de Boer (NGK, hoofdredacteur OnderWeg) zich boos te maken over sommige reacties op het onderzoek God in Nederland:

 

“ ‘Voor de orthodox-gereformeerde kerken valt de uitkomst best mee’, zegt de één, een ander zegt dat het beeld van christenen die een minderheid zijn geworden veel beter past bij het Bijbelse beeld dan de meerderheidspositie van vroeger”. 

 

De Boer roept op te stoppen met het verbloemen van de

 

“barre werkelijkheid dat verreweg de meeste mensen  Jezus niet kennen. Als de Zoon des mensen terugkomt , zal Hij dan nog geloof vinden op aarde? Bij dat Bijbelwoord blijf ik sinds de verschijning van het rapport steeds haken...  Steeds meer mensen in Nederland raken God kwijt”.

 

Van de 31 kleinkinderen van zijn ouders zijn er zeker 10 die niet (meer) geloven.

 

“Dat is 30 procent tegenover 70 procent die nog wel gelooft. Maar bij het opschrijven van die cijfers steiger ik. Hoezo aantallen? Het gaat om individuele mannen en vrouwen, jongens en meiden, geliefd door hun ouders, gedoopt in Gods naam en met hun eigen naam. Als vaders en moeders tellen we, net als God de Vader, ieder apart: hoofd voor hoofd, hart voor hart. En hoezo procenten? God doet niet aan percentages. Eén zoon kwijt, nog 50 procent over? Eén schaap zoek, nog 99 procent over? Om die ene breekt ons hart, om die ene breekt Gods hart”.